zondag 29 december 2013

Albert van der Haegen van Eesbeke (1757-1829)

Update:23-05-2014

De laatste markgraaf van Antwerpen

Albert van der Haegen van Eesbeke (1757-1829)
Albert van der Haegen van Eesbeke
(1757-1829)
Priester Floris Prims, wijdde een grote historische studie over de laatste markgraaf, Albert van der Haegen van Eesbeke. Hij, herinnerde ons eraan, dat men de titel van "markgraaf "uit beleefdheid gebruikte. In werkelijkheid was de markgraaf van Antwerpen niet meer dan de plaatsvervangende markgraaf van de werkelijke markgraaf, die tevens hertog van Brabant was. De officiële titel was "schout van Antwerpen en markgraaf van het land van Rijen".

De voorlaatste markgraaf, jonkheer Alexander Cuylen, was een "Vijg"*, die in het begin van de patriottentijd hier nipt aan de dood ontsnapte. In het patriottische Antwerpen, was de werking met hem onmogelijk geworden. Burgemeesters en schepenen van Antwerpen doen een oproep aan de regering, om markgraaf Alexander over te plaatsen. Langdurige conflicten blijven aanslepen, zodat men jarenlang zonder schout-markgraaf zit.

Op 21 maart 1793, duiden de representanten van het soevereine volk van Antwerpen zelf een schout aan. Frans Carpentier, legt er de eed af aan de godsdienst, de constitutie van Brabant en aan de privéleges van de stad Antwerpen. Eigenlijk ging het hier om een voorlopige benoeming, die eigenlijk bedoeld was, om de goeder orde te bewaren binnen de rechtspleging onder de Franse bezetting.

Enkele weken nadat men deze voorlopige benoeming tot stand had gebracht, herstelde de Oostenrijkse regering en werd er gedacht aan een nieuwe schout-markgraaf voor Antwerpen. Doch de Oostenrijkse Staatskas, die voor de uitbetaling ten gunste van de schout diende te zorgen, was reeds gewoon geworden niets te moeten uitgeven. De magistratuur stelde dan voor om dit ambt te doen samenvloeien van admiraal van de Schelde, die reeds open stond, sinds het plotse overlijden van graaf de Poli. De regering zelf wilde uiteindelijk iemand, die deze functie zou uitoefenen voor de eer.

Op een gegeven ogenblik, dook de kandidatuur op van baron Albert van Eesbeke, die een gepensioneerd officier was uit de periode van Maria-Theresia.  Eigenlijk was hij een berooide Brusselaar, die als officier uit het Oostenrijkse leger ontslagen was, nadat men kortstondig de Brusselse onafhankelijkheid had uitgeroepen. Hij, was de tweede zoon van Baron Honoré Joseph en van Marie Therese de Broe de Diepenbend. Maar er was toch een hindernis te bespeuren. Aangezien hij als kandidaat-schout met de Franse taal was grootgebracht en vervolgens met het Duits, bleek er een gebrek van de Vlaamse taal, wat nodig was.

Het was de kanselier van Brabant de Limpens, die aan de fiscale Raad van Brabant te kennen gaf, dat baron van Eesbeke Vlaams aan het leren was. Zij, op hun beurt nodigden hem uit, zodat zij konden vaststellen of hij voldeed, om dit ambt te bekleden en de Vlaamse taal ruimschoots beheerste. (Brief van kanselier de Limpens van 20 februari 1794)

De benoeming vond plaats op 31 maart 1794. Als kersverse schout woonde hij te Brussel op 23 april te blijde intrede bij van de nieuwe keizer van Duitsland, Frans II. Op 2 mei legde baron van Eesbeke als schout-poorter van Antwerpen de eed af op het stadhuis. Lang duurde het niet of de Fransen staken er in juli, stokken in de wielen. Zij schaften de functie van markgraaf af. Toch voor baron van Eesbeke. De Franse representanten benoemden op 21 september op hun beurt een andere schout, Frans Wauters, die van uit het Vogelhuis op de Schoenmarkt afkomstig was. Uiteindelijk werd op 30 april 1795 deze functie afgeschaft.

Hij, huwde pas in 1798 met jonkvrouw Hélène Geelhand, die de dochter was van een schatrijke Nederlandse familie en zich te Antwerpen hadden gevestigd. Beiden betrokken het domein Winckenhoven te Hove, dat tevens hun bruidschat was. Eigenlijk behoorde hij niet tot de hogere adel en had normaal geen recht op deze titel. Hij bekwam echter deze titel op voorspraak van een aangetrouwd familielid (verstandshuwelijk; geld in ruil voor de titel). 

Gewezen schout-markgraaf baron van Eesbeke werd maire (burgemeester) van Hove onder de Franse overheersing. Na het overlijden van zijn echtgenote Helene Geelhand in 1807, trad hij voor een tweede maal in het huwelijk. Hij huwde met de gefortuneerde Maria-Theresia van Male, die de weduwe was van Jacob Robyns, verloor hij al zijn rechten op het kasteel, dat zo terug in handen kwam van de familie de Geelhand. Via Hove en trokken zij naar Brussel, waar zij zich in de Koninklijke straat vestigden, nadat zij er de gronden hadden opgekocht met het geld van zijn tweede echtgenote. Ook het kasteel van Kortenberg (voormalige abdij) werd door hem op het einde van zijn leven opgekocht. Het latere "Astoria" hotel werd er op hun gronden gebouwd.

Baron-schout-markgraaf en burgemeester Albert van der Haegen van Eesbeke, overleed er op 10 juli 1829. Hij had vier dochters, waarvan één op jonge leeftijd overleed en een andere gek werd verklaard. De twee andere dochters bleven gedurende de rest van hun leven in onmin met elkaar leven over het geld en de andere eigendommen, die de baron te Brussel in bezitting had. Dochter Julie beschreef dit in haar nota's. Toen zij in 1892 overleed, bleef van het familiefortuin niet veel meer over.

Zijn hierboven weergegeven  portret werd door De Lantsheere in 1789 geschilderd. Verder zijn er meer bijzonderheden weer te vinden over baron van Eesbeke in een artikel geschreven door L. Robyns de Schneidauer, "Le dernier Margrave d' Anvers, le Psyché", Oktober 1929.

*Vijg: is een benaming, die gebruikt werd voor keizergezinden tijdens de Brabantse omwenteling van 1789.

Bronnen:
Zondagsvriend 17-07-1932
Oud-Antwerpse portrettengalerie van Floris Prims

Met dank aan Dhr. Philippe van Eesbeek, voor zijn toegstuurde bijkomende informatie, die hierin verweven werd.

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen