zaterdag 2 november 2013

Jan Scheyfve 1515-1581



Jan Scheyfve 1515-1581
Voorzijde van de medaille
Jan Scheyfve was een voormalige schepen en burgemeester van Antwerpen, die zijn stad in 1546 achter zich liet om als ambassadeur van de Keizer naar het Engels Hof te vertrekken. Zijn vader was een smid en zijn oom een lakenarbeider. Beiden hadden zich weten op te werken, waren gefortuneerd en verwierven een maatschappelijke stand. In Engeland bewees Jan Scheyfve vele diensten aan koningin Maria en zij vereerde hem van haar kant met waardevolle geschenken.

In 1557 werd Jan Scheyfve gekozen tot kanselier van Brabant, hetzij met enige tegenkanting. Jan zelf had zware gebreken en stelde zich dikwijls bij herhaling lichtzinnig en ongemanierd op. Dit leidde in 1561 tot onenigheden tussen de kanselier en de gouvernante. Enige jaren later in 1567 zou Alva hem tot de orde moeten roepen. Scheyfves gezag begon weg te kwijnen. Had hij niet de naam van een al te loslippige en al te nalatig functionaris te zijn?

Ook van de Raad van Brabant krijgt hij tegenwind en klaagt men over de kanselier. Hij zetelt alleen nog in de Raad als hij iemand nog kan bevoordelen. Hijzelf wilde ontslag nemen, maar hij vraagt zodanig veel "mercèdes, gaiges en pensions"*, dat men het hem niet kan gunnen. Uiteindelijk nam hij ontslag op 26 november 1579.

Vanaf dit moment woonden Jan en zijn echtgenote Genoveva van Hoochlande in het nu verdwenen Fuggershuis langsheen de Steenhouwersvest te Antwerpen. Het is daar, dat zijn vrouw in 1580 overleed en naar alle vermoeden is ook hij in 1581 in zijn woning overleden.


Handtekeningen van Jan Scheyfve, zijn vrouw, zijn twee zonen Edward en Maximiliaan en van zijn schoonzoon Simon Longin op zijn testament
Handtekeningen van Jan Scheyfve zijn testament van 1578 en
op het stadsarchief bewaard (Notaris Diemen)
Scheyfve, had voor zijn overlijden een groot grafmonument doen maken in de Sinte-Goedelekerk van Brussel naast het koor. Zijn testament zorgde ervoor, dat de kerk met kazuifel en andere gewaden werd bedacht. Vervolgens verzocht hij toen hij reeds 62 jaar oud geworden was, liet hij zich konterfeiten door Jacob Jongelinck (zie blz. 71 en 72 van de link, waar een andere medaille te zien is), die wardijn was van de Antwerpse Munt.
Vier gouden medailles dienden te worden gemaakt met een waarde van 200 carolusgulden en daarbij nog een onbeperkt aantal kleinere, om aan vrienden uit te delen na zijn overlijden. De vier grootste medailles, waren bestemd voor zijn vier kinderen, die ze voor eeuwig dienden in stand te houden.


Achterzijde van de medaille van Jan Scheyfve 1515-1581
Achterzijde van de medaille
In het midden Jan Scheyfve biddend
Op zijn mantel het woord "Periculum"
Voor hem "Justicia", achter hem "Rebellio"
Boven hem "Religio". Aan zijn voeten de
"hand" der getrouwheid met op de halsband
"Fides". Op de rand daaronder
"Perceverantia"
De medaille, die hier wordt afgebeeld werd in zilver vervaardigd, ondanks zijn testamentaire wens om goud te gebruiken. Naar alle waarschijnlijkheid zullen zijn nazaten daar anders over beslist hebben. De medaille is een heus meesterwerk van eerste gehalte, "l'oeuvre magistrale du médailleur anversois" (Simonis). Het was met dank aan dhr. J. De Beer, die over een verzameling afgietsels beschikte, dat dit nagenoeg onbekende prachtstuk konden ophalen.

Misschien nog dit over de woelige tijden van de XVIde eeuw, waarover men durft lichtzinnig spreken en schrijven: "...wie het begrijpen wil, moet de biografie als die van Jan Scheyfve instuderen. Zijn zeden moeten echter niet onder doen als die van Willem van Oranje.
Zijn medaille vertoont op de keerzijde zijn grootste verering voor "Religio" en zijn testament was zo christelijk en katholiek als dat van een kanunnik. Op diezelfde medaille verzinnebeeldt ook de medailleur zijn afkeer voor de "Dissensio", die door de man  nochtans herhaaldelijk in de hand werd gewerkt...

Van deze medaille, die in 1897 op een grote veiling van de collectie Spitzer te koop werd aangeboden, werd deze aangekocht door Dhr. Picquè in opdracht van de Belgische Staat. Volgens de geschreven bron is er maar één exemplaar bekend. In het boek "L'Art du médailleur en Belgique", deel II (1904), maakt Simonis daar een studie van.
*De bronschrijver bedoelt hiermee, dat Scheyfve, baatzuchtig, op geld uit was en van een volwaardige uitkering wilde genieten.
Bronnen:
Zondagsvriend 22-05-1932
Oud-Antwerpse portrettengalerij van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed. 



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen