dinsdag 29 oktober 2013

De legertroepen uit de 15e en 16e eeuw in wapenrok


De Krijgseenheden der Bourgondiërs en Habsburgers

Daar de Bourgondische vorsten over een onmetelijk gezag wilden beschikken, moesten zij kunnen rekenen over een trouwe en afhankelijke troepenmacht. Omwille daarvan richtten zij een leger op en zochten zij zelfs huurlingen uit eigen en vreemde landen, die bereid waren hun leider te gehoorzamen en te dienen. Hoewel betalingen dikwijls uitbleven, werd dit verholpen door veroverde buit onderling te verdelen.

Een ander probleem was, dat de hertogen steeds veel geld nodig hadden om ten strijde te trekken en moest er steeds beroep gedaan worden op geldbeurzen. De krijgstochten van Vermandois in 1411 en Kales (nu Calais) in 1436 waren daar een voorbeeld van.

Vooral de troepenmacht van Karel de Stoute (1433-1477), had een enorme geldhonger en verslond merkelijk grote schatten. In 1473 eiste hij 500.000 kronen, wat extreem hoog was in die tijd. Daartegen over stond dan weer, dat zijn leger als het beste, sterkste en goed uitgerust bestempeld stond van Europa.

Bereden boogschutter tijdens het Bourgondisch tijdperk
Bereden boogschutter tijdens
het Bourgondisch tijdperk
De kern ervan bestond uit: "...groepen van ordonnantie, een staande troepenmacht van 800 speren, waarbij iedere speer uit 8 man bestond (1 speerdrager-bevelhebber, die meestal een edelman was; 3 boogschutters, 2 pages en 2 wapenknechten). Zo'n troepenmacht groeide op deze manier uit tot 18.000 man, waarvan de helft bereden. Hoewel Karel de Stoute over een goede gestructureerde artillerie beschikte, leed hij zware verliezen in de Zwitserse kantons. Te Nancy werd hij zo goed als van de kaart geveegd.

Onder de Habsburgers, bleef die inrichting zo goed als behouden. Keizer Maximiliaan I (1459-1519), stelde zich tevreden met de overgebleven Bourgondische en Picardische vendels (compagnie) met toevoeging van Duitse landsknechten. Laatstgenoemden stonden omschreven als: "vuile boter bij vuile vis". Om verder de geringe getalsterkte van zijn leger nog beter te verhelpen, breidde hij zijn artillerie uit en voerde meer draagbare vuurwapens in.

Bewapening en tactiek

De in de 14e eeuw gebruikte wapens en uitrustingen werden verbeterd en vervolmaakt. Helmen bedekten meer de nek en de hoofdzijden. Ook werden zij voorzien van een beweeglijk of vast vizier, die het gelaat moest beschermen. Het harnas, die de uitrusting bij uitstek was van de ruiterseenheden, bestond uit elkaar gebonden platen. Hun paarden werden bij gelegenheid soms ook daarvan voorzien.

De stootwapens werden met grotere en bredere spitsen voorzien. Aan hand-en kruisbogen was er geen tekort. De voetboog kreeg er een geducht wapen bij. Deze werd voorzien van een stevige stalen veer, die door middel van een windas diende aangespannen te worden. De bediener ervan moest hierbij zijn voet in een aangepaste beugel plaatsen. Ook de zwaarden, die het voetvolk droegen werden handiger gemaakt.

Bereden en onbereden kolveniers op het einde van de 15e eeuw. Rechts een voetboogschutter, begin van de 15e eeuw.
Bereden en onbereden
kolveniers einde 15e eeuw
en rechts een voetboogschutter
begin van de 15e eeuw
De artillerie, die bestond uit donderbussen, bombarden, serpentijnen (kanonnen), crapaudijnen en ribaudekijnen. In het begin van de 15e eeuw, stelde het geschut echter weinig voor, maar langzamerhand kwam daar verandering in. Op het einde van de 15e eeuw werden handvuurwapens en kollevijnen (kan verwijzen naar kolvenier) gebruikt zowel door het voetvolk als door de ruiters.

Hierdoor werden formaties van de infanterie van op afstand verbroken en in verwarring gebracht. Ze werden gedwongen om zich te verspreiden en konden zich tegen de ruiters niet meer verdedigen. In open veld ontbrak het er aan bescherming en was het voetvolk eraan voor de moeite. Dit ondervond ook Karel de Stoute bij de Slag bij Grandson (1476) en bij de Slag bij Murten (1476).


Bron:
Ons Land 30-08-1947
Noël De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen