zondag 21 augustus 2011

Hendrik van Varick, de Schout



Hendrik van Varick (+1641), schout en markgraaf van Antwerpen.
Omstreeks het einde van de XVIe eeuw verschenen in het Brusselse, de namen van Hendrik en Sasbout van Varick. Misschien kwam dit door de protestantse geloofsdwang, die destijds in de Noordelijke Nederlanden heerste en daardoor meerdere edele families uitweken, waaronder ook het geslacht van Varick uit Tielerwaard, Gelderland.

Hendrik huwt met Anna Damant, een dochter en erfgename van Niklaas Damant, de burggraaf van Brussel en tevens kanselier van Brabant. Niklaas zelf was gehuwd met Barbara Brant, de zuster van de Heer van Bouwel, van wie zij de heerlijkheid met nog andere, erfde.

Hendrik van Varick, stelde zich ten dienste van de katholieke vorsten der Nederlanden. Hij had als kapitein de goede over een vendel (vaandel) van 300 Hoogduitse wapenknechten en was een der trouwste ridders in dienst van aartshertog Albrecht.

In 1599 werd aan Hendrik de belangrijke en gevaarvolle taak van schout en markgraaf van Antwerpen toevertrouwd. Hij legde er de eed af in handen van zijn schoonvader, kanselier Niklaas Damant, op 2 december 1599. Dit Antwerpse hoge ambt bleef hij uitoefenen tot in 1628. Daarna volgde zijn zoon Niklaas zijn vader op.

Hij had te Antwerpen achtereenvolgens volgende onderschouten onder zijn hoede: ‘jonker Pauwels Ansseliers (1591-1617), jonker Willem Pennants (1617) en jonker Willem van Bruhesen (1617-1628)’.

Hendrik, die twee kinderen had, waarbij zijn zoon Niklaas hem opvolgde en dochter Margarita, stonden met echtgenote Anna Damant te Antwerpen bekend als steunpilaar van het Katholicisme. Heel wat kloosters mochten hulp van hen ontvangen, met in het bijzonder deze van de Augustijnen in de Kammenstraat.

De zoon van Niklaas, Hendrik, genoemd naar zijn vader Hendrik, werd kloosterling bij de Predikheren te Antwerpen, met het gevolg, dat de familie een voorliefde had voor de Predikheren.

Wanneer Hendrik van Varick in 1641 overleed en zijn vrouw eerder in 1630 werd er een grafmonument in de Predikherenkerk bij het hoogaltaar aan de epistelzijde voorzien, die op heden nog steeds de aandacht trekt, met zijn twee levensgrote knielende beelden. De grafkelder ligt er vlakbij.

Het geschilderde zeldzame portret werd gegraveerd door Petrus de Jode (1570-1634) tussen de jaren 1600 en 1628.

Bron:
Zondagsvriend 15 mei 1932
Oud-Antwerpse portrettengalerij van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey

© SABAM

Georg Frederik Kreglinger, de oudere (1765-1821)


Georg Frederik Kreglinger, de oudere (1765-1821)
Georg Frederik Kreglinger, de oudere werd in 1765 te Karlsruhe geboren. Hij ontpopte zich al vlug tot een volwaardig lid van de Handelskamer te Antwerpen, nadat hij eerst in de leer was geweest bij de Bethmann broeders, die er het eerste bankfiliaal van Duitsland hadden. Dit filiaal was te Frankfurt gevestigd en werd enkele jaren later door de Rotschildt’s van de troon gestoten. Zijn jongere broer Christiaan leerde de handel te Amsterdam.

In 1795 kopen de broers, drie huizen op de Grote Markt van Antwerpen. Daar werd hun firma G. en C. Kreglinger boven de doopvont gehouden, die als voornaam stond aangeschreven.

Wanneer Napoleon in 1803 (an 11) zijn intrede deed, was George Frederik een der eerste leden van de Handelskamer, die door het Franse Regime werd aangesteld.

George Frederik Kreglinger, die gehuwd was met Anna Madeleine Schlosser en woonachtig was op de Grote Markt 21 (voorheen eerste sectie, nr.664), overleed in juli 1821 te Antwerpen. Zijn jongere broer Christiaan was reeds tien jaar eerder overleden.

Mathieu Van Bree (1773-1839) vereeuwigde het portret van Kreglinger als een der voornaamste leden van de Handelskamer op doek.


Bron:
Zondagsvriend 24 april 1932
Oud-Antwerpse portrettengalerij van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey

© SABAM

zaterdag 13 augustus 2011

Antwerpse rechters omstreeks 1800


R.J. Martin, Antwerpse rechter tijdens de Franse overheersing
Op 5 december 1795 werden in België de eerste criminele en civiele Franse rechtbanken geïnstalleerd. Opmerkelijk was, dat er vooral in de criminele rechtbank hoofdzakelijk Franse rechters zetelden. De president-voorzitter was Michel, als accusateur public (openbare aanklager) hadden we Ogez, griffier was Auger en ook Martin R.J. hoorde daarbij.

Martin, werd omstreeks 1745 geboren en stond te Namen bekend als een Jakobijn. Hij kwam naar Antwerpen en was achtereenvolgens rechter bij de criminele rechtbank en vervolgens verbonden aan de burgerlijke rechtbank, waar hij als directeur van de jury was aangesteld (onderzoeksrechter).

Bij de verkiezingen die in april-mei van 1797 plaatsvonden, stond hij op de kandidatenlijst voor de criminele rechtbank en werd verkozen.

Op 17 messidor an VIII (6 juli 1800) werden onze criminele en burgerlijke rechtbanken bij arrété van de Eerste Consul (Napoleon) terug samengesteld.

Talrijke personen, die door het arrèté (besluit) waren benoemd, weigerden het aangeboden ambt. Volgende namen kwamen erin voor: ’Van Welhuysen, Van Dun, De Visscher, J. Wouwermans, Nanteuil, zoon Le Paige en Van Wolvelaer’.

In de daarop volgende maanden werden zij vervangen en kregen we in 1803 volgend tableau in de burgerlijke rechtbank te zien: ‘Charles d’Or als president, rechters De Moor en Carré, griffier Le Gros, commissaris van het gouvernement De La Buisse en de Quertemont als juge d’appel’.

Bij de rechtbank van Eerste Aanleg (première instance) kwamen volgende leden voor: ‘Van der Mey als president en Caire als vice-president’. Als rechters waren dit: ‘ Fradin, Martin, Courtois, Sayavedra en Dargonne. Lengrand tekende voor het ambt als substituut commissaris en Chabroud voor regeringscommissaris.

Mathieu Van Bree (1773-1839), schilderde het portret van rechter R.J.Martin, wanneer de Eerste Consul zijn intrede deed.

Hoelang Martin te Antwerpen verbleef was niet geweten.

Bron:
Zondagsvriend 10 maart 1935
Oud-Antwerpse portrettengalerij van Floris Prims



J. Fradin, Antwerpse rechter tijdens de Franse overheersing en aanhanger van Napoleon.
De Fransman J. Fradin was een rechter, die door de eerste consul (Napoleon) werd benoemd tot de rechtbanken van het departement der Twee Nethen (Frans departement in de Nederlanden en genoemd naar de Kleine en Grote Nete in de provincie Antwerpen)) in het jaar 1800. Hij werd aangesteld op I Fructidor an VIII (19 augustus 1800).

Uit een verslagboek van de algemene vergaderingen der rechters was duidelijk merkbaar, dat Fradin zijn taak ten harte nam. Hij was een vijand van de voorzitter Van der Mey, die hij hem wel eens zware moeilijkheden bezorgde.

Fradin stond bekend als een aanhanger van Napoleon Bonaparte en was de opsteller van het adres, dat de Antwerpse rechtbank aan “den keizer der Fransen” zond bij zijn kroning.

Destijds werkte men op de rechtbank met Vlaamse vertalers. Vele rechters waren deze taal niet machtig, waaronder ook Fradin.

Wanneer een kandidaat-vertaler zich aanmeldde om in aanmerking te komen als vertaler op de rechtbank, waren er twee rechters in staat het examen af te nemen, namelijk: ‘voorzitter Van der Mey en Simonne Pierre Dargonne (1749-1871)’.

Mathieu Van Bree (1773-1839), schilderde het portret van rechter J. Fradin, uit het Franse tijdvak, van wie weinig geweten was.

Bron:
Zondagsvriend 21 april 1935
Oud-Antwerpse potrettengalerij van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey
© SABAM



maandag 18 juli 2011

Frans Jacob Stoop (1815-1861)


Stadsbouwmeester Frans Jacob Stoop (1815-1861)
Frans Jacob Stoop (1815-1861)
Frans Jacob Stoop werd te Antwerpen geboren in 1815. Hij was de zoon van Frans Stoop (1776-1857), die een bouwmeester was en professor aan de Academie. Frans studeerde bij meester Delin en werd leerling aan de academie. Hij onderscheidde zich al snel in allerlei prijskampen. In 1843 werd hij ingenieursbouwmeester. Een jaar later in 1844 volgde hij M. Serrure op als professor van bouwkunde aan de Academie.

In 1845 werd hij algemeen inspecteur der stadswerken van Antwerpen. Tien jaar later in 1855 werd hij aangeduid om Bourla op te volgen als stadsbouwmeester. De middelbare school voor meisjes in de Eikenstraat, de overwelving van de Minderbroederrui en het huis van de bestuurder van de Academie, … waren bouwwerken van Frans Stoop.

Maar Stoop stond bekend als een moedige man met een groots plichtsgevoel. Bij de brand van het Koninklijke Stapelhuis in 1857, had hij de heldhaftigheid tot roekeloosheid doorgezet. In 1859, bij een nieuwe brand, was hij andermaal in de weer. Bij de immense verwoestende brand op 2 december 1861, van de Belgische suikerraffinaderij en de Entrepot St.-Felix, vonden twee brandweermannen, acht soldaten en inspecteur Frans Jacob Stoop de dood. Enkele dagen nadien, bij de instorting van een muur van het desolate gebouw, kwamen nog eens 10 arbeiders (een andere bron spreekt van 9) om het leven. Het was voor de stad Antwerpen een brandramp om niet meer te vergeten.

Ter herinnering en verering aan de moedige man werd zijn naam vereeuwigd aan een straat die de Stoopstraat kreeg.

Bron:
Zondagsvriend 17-02-1935
Oud-Antwerpse portrettengalerij van Floris Prims

Noël De Mey
© SABAM

Melchior Moretus (1573-1634)

Laatste update: 30-12-2013


Priester Melchior Moretus (1573-1634)
Melchior Moretus (1573-1634)
Melchior Moretus werd als tweede van tien kinderen van Jan Moretus en Martina Plantin geboren te Antwerpen op 20 april 1573 en was het geliefkoosde kleinkind van Christoffel Plantin.

Vanaf 1588, studeerde hij bij de paters Jezuïeten en zette vervolgens zijn studies voort te Douai en te Leuven in de godgeleerdheid. Als priester werd hij gewijd in 1598, die gepaard gingen met grootse feestelijkheden in het ouderlijke huis.

Een domper op de feestvreugde was, dat Melchior geestesziek bleek te zijn, voordat het jaar ten einde was. Hij kwam onder de zorgen van de cellenbroeders en bracht een tijd door te Kortrijk bij deken Wechtem, die zich over de jonge priester ontfermde.

Pas in het jaar 1600 keerde hij terug naar Antwerpen bij de Beggaarden (Bogaarden). Zijn broer Balthasar, die destijds een drukkerij had, spande zich in voor zijn zieke broer, om een prebende (soort vergoeding) van kanunnik te verkrijgen te Antwerpen. Daar slaagde hij niet in, maar wel bij het kapittel van St.-Amands. Melchior zou er verblijven tot in zijn laatste levensjaar. Hij keerde weliswaar naar Antwerpen terug, waar hij op 4 juni 1634 overleed.

Melchior was de eerste Moretus die het wapen der familie Grassis uit Piemont, tot dewelke zijn grootmoeder Adriana Gras, moeder van Jan Moretus behoorde, heeft gedragen. Dit wapen werd op zijn academische disputaties (wetenschappelijke discussies) gedrukt. Het zou vervolgens in de familie een blijvend gebruik blijven.

Het oudste ‘disputatie’die van Melchior gekend blijkt te zijn is van januari 1597, die het zedelijke vraagstuk van de manslag onder alle vormen behandeld. Vraagstukken als vruchtafdrijving en sterilisatie werden reeds onder beschouwing genomen. Een andere ‘disputatie’ was van 24 november 1597, die handelde over de simonie (soort handel in geestelijke goederen). Een studie daarover werd door Dr. De Mets tot stand gebracht, ( Les thèses à images du musée Plantin-Moretus, 1932).

De afbeelding die hier te zien is, dat in het Plantin-Moretus museum bewaard word, is van de Amsterdamse schilder Salomon de Bray, die in 1597 werd geboren.

Bron:
Zondagsvriend 23-01-1936
Oud-Antwerpse portrettengalerij van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey
© SABAM

Jos Jaak Ducaju (1823-1891)

Laatse update: 30-12-2013

Beeldhouwer-kunstschilder Jos Jaak Ducaju (1823-1891)
Jos Jaak Ducaju (1823-1891)
Jos Jaak Ducaju werd te Antwerpen geboren op 31 augustus 1823. Op amper 9-jarige leeftijd ging hij in de leer bij beeldhouwer Govaerts en vervolgens bij Van der Meer. Op de Academie behoorde Ducaju tot de beste leerlingen.

Pas 18 jaar geworden, vervaardigde hij de bekende Boduognatgroep, die eigenlijk voor Brussel bestemd was. Uiteindelijk werd ze te Antwerpen geplaatst in 1861. Hiermee verwierf de jonge kunstenaar in 1848 te Brussel de gouden medaille.

Volgende standbeelden zijn van Ducaju: ‘David Teniers en baron Leys te Antwerpen, van Mudaeus te Brecht, van Mozart in het hof van de Koninklijke Harmonie te Antwerpen,…’ Ducaju was niet alleen beeldhouwer, maar schilderde vervolgens het doek: ‘De H. Elisabeth of het mirakel der rozen’. Dit doek werd door het Staatsbestuur voor het Museum van Brussel aangekocht.

Vanaf 1865 was hij lid der Koninklijke Academie, lid der Commissie van Monumenten, lid van de Commissie van het Museum van Oudheden (Steen) en vervolgens professor aan de Academie van Schone kunsten.

Als algemeen bekende en bemind figuur in het Antwerpse kunstenaarsleven, overleed Ducaju op 5 juli 1891. Bij zijn begrafenis werden, lijkredes uitgesproken door, Fred De Laet en door meester Van der Ouwera.

Bron:
Zondagsvriend 21-07-1935
Oud-Antwerpse portrettengalerij van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey
© SABAM

zondag 5 juni 2011

Maltezer Orde

Laatste update: 30-12-2013

Een korte geschiedenisschets daarover leert ons het volgende:

‘Toen de kruisvaarders in 1099 Jeruzalem hadden ingenomen en de heilige plaatsen aan de Saracenen hadden ontrukt, nam de toeloop naar het Heilig Graf, der Zaligmaker door de christenen met grote mate toe. Vele pelgrims uit diverse landen, die te Jeruzalem aankwamen werden ziek en hadden hulp nodig.

En heilig man, (Tum) Thom Gerard genaamd, die aan het hoofd stond van het ziekenhuis en die aan de kerk van de handelaars van Amalfi gehecht was, kreeg de gedachte om een orde in het leven te roepen. Zij zouden zich hoofdzakelijk bezig houden met het verzorgen van christen pelgrims, die naar het Heilig bedevaart oord waren gekomen.

Nadat hij zijn plan grondig in overweging had genomen legde hij in 1100 de fundamenten van zijn vereniging vast, die de naam van Orde van Sint-Jan van Jeruzalem droeg. Thom Gerard zelf werd als Grootmeester aangesteld, die na verloop naar de Maltezer Orde werd omgedoopt.

Wanneer onder het bestuur van de tweede Grootmeester Raymond Du Puy, de Orde dagelijks zag verder bloeien met een toenemende ledengroei, werd er beslist, op voorstel van de aanvoerder, om niet alleen de pelgrims te verzorgen, maar ze ook gewapenderhand tegen de aanvallen van de ongelovigen te verdedigen. De vereniging kreeg op deze manier een godsdienstig en ridderlijk karakter in 1121.

Na de inneming van Jeruzalem door Saladin in 1188, verlieten de leden der Orde hun eerste verblijfplaats en vertrokken naar Acre, om in 1310 nogmaals van woonplaats te veranderen en vertrokken naar Rhodos.

Opnieuw werden zij verjaagd. Dit gebeurde nadat zij heldhaftig strijd hadden geleverd tegen sultan Soliman II ( een andere bron spreekt van Süleyman I) en na een beleg van drie jaar in 1522 het eiland verlieten. Na acht volle jaren van rondgedoold te hebben trokken zij naar het eiland Malta, dat in 1530 door Keizer Karel V werd afgestaan.

Sinds dat tijdstip vormden zij een afzonderlijke staat en waren gekend onder de Ridders van Malta, die onder de ongelovigen enige schrik verspreidden, maar als toonbeeld van deugd en dapperheid werden aanzien. Gedurende drie volle eeuwen bleef deze bewonderenswaardige Orde bloeien, totdat het tijdstip van haar ondergang was aangebroken.

In 1798 trok Napoleon Bonaparte naar Egypte en slaagde erin het eiland Malta te veroveren door toedoen van de goede verstandhouding die bestaan had tussen het ‘Directoire’ en von Hompesch, de laatste grootmeester van de Orde. Hun staat werd afgeschaft. von Hompesch legde zijn waardigheid neer en Keizer Paul I van Rusland eigende vol hoogmoed de titel van grootmeester der Maltezerorde aan zichzelf toe.

Vanaf dat ogenblik bestond de Orde enkel nog van naam en werd de zetel in 1801 naar Catane verplaatst, vervolgens naar Ferrara en uiteindelijk in 1831 naar Rome, waar ze in 1878 door Z.H. Leo XIII werd heringericht op voorstel van kardinaal de Lavigerie, die de Paus kon overtuigen. De herinrichting had als doel de slavenhandel in Afrika te bevechten.

Deze Orde, die tevens door haar krijgsdaden in haar edelheid en rijkdom schitterde, heeft aan het christendom uitzonderlijke diensten bewezen en was verdeeld in verschillende afdelingen in Frankrijk, Italië, Duitsland en Engeland. Vele vermaarde Grootmeesters stonden ooit aan het hoofd van deze vermaarde Orde, waaronder: Raymond du Puy, Villiers de L’Isle Adam, Pieter d’ Aubusson, die met zijn leger het eiland Rhodos gedurende drie maanden tegen Mahomed II, verdedigde, La Valletta,…

Na 1832, was de Orde van Malta enkel nog een liefdadige instelling, van wie de hoofdman te Rome twee ziekenhuizen bestuurde. Om destijds tot de Orde toegelaten te worden moest men ten minste 200 jaar tot de adel behoren. Het Kruis van Malta is een in wit email met zilveren lelie met zwart lint’.

Bron:
Gazette van Brugge, woensdag 11 juli 1888

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey
©SABAM

zondag 1 mei 2011

Buitenlandse rampen uit de Gazette van Brugge van 1889

De hieronder weergegeven gebeurtenissen met data, zijn deze van krantverschijning. De rampgebeurtenis kan weken of maanden eerder zijn gebeurd en geven een verkorte weergave weer

Januari

Frankrijk, Tréport - Brand in het kwartier 'Casernes', 4 doden. GvB 9 januari 1889

Spanje, Oviedo - Ontploffing in de Esperanza koolmijn, 27 doden en 12 gewonden. GvB 9 januari 1889

Verenigde Staten, New-Orleans - Mississippi stoomboot 'Paris' vergaan, 7 vermisten. GvB 12 januari 1889

Verenigde Staten, Pittsburg - Een in opbouw zijnde gebouw stortte in wegens een storm. Er vielen 14 doden, 4 ernstig gekwetsten en 6 vermist. GvB 12-16 januari 1889

Verenigde Staten, Reading - Een schilderachtig stadje in West-Pensylvanië wordt door onweder verwoest, 18 doden en 106 gekwetsten. GvB 14-16 januari 1889

Spanje, La Coruna - Een grote stoomboot is vergaan nabij de Lisargar-eilanden, meer dan 100 mensen kwamen om. GvB 14 januari 1889

Singapore, maakt de melding, dat de stoomboot 'Pyah Pekhet', is gezonken, 42 mensen kwamen om. GvB 21 januari 1889

Zweden, Gothland - De stoomboot 'Ginerva', verging met man en muis. GvB 21 januari 1889

Verenigde Staten, Elmswood - Spoorwegongeluk met verscheidene doden. Gvb 23 januari 1889

Italië, Casola Velasquia - Bergverschuiving met minstens 16 doden. Gvb 23 januari 1889

Engeland, ontploffing in de Hydekoolmijn. Meer dan 14 doden. Gvb 23 januari 1889

Engeland, Dover - Aanvaring tussen de 'Denbigshire' en de 'Duke of Buckingham', 2 doden. Gvb 23 januari 1890

Februari

Engeland, Bristol - Ontploffing in de koolmijn van, Dean-Lane, Redminster. Men betreurde 2 doden en 2 gekwetsten. Gvb 6 februari 1889

Nederland, sneeuw gepaard met storm, zorgen ervoor dat het land het zwaar te verduren krijgt, er was sprake van vele doden. GvB 13 februari 1889

Engeland, sneeuwstormen houdt Engeland in zijn greep, er vallen meerdere doden. Op zee zinken er boten met hun bemanning. GvB 13 februari 1889

Nederland, Vlissingen - De Belgische loodsschoener nr.3 verging tijdens een storm. Men vreesde voor het leven van de 7 bemanningsleden. GvB 16 februari 1889

Verenigde Staten, Hatford - De stoomketels in het 'Central hotel', ontploften, waarbij het hele gebouw instortte, 25 doden en 50 gekwetsten. GvB 20-23 februari 1889

Oostenrijk, Illmitz - Tijdens een brand op een bruiloftsfeest werden 8 mensen onder het puin bedolven. GvB 20 februari 1889

Maart

Verenigde Staten, Pensylvanië - In een fabriek te Plymouth deed zich een zware ontploffing voor, waarbij er 4 personen werden vermist. GvB 2 maart 1889

Canada, Saint George - Bij een spoorwegramp vielen er meer dan 10 doden en tientallen gekwetsten.GvB 2-6 maart 1889

Engeland, Grimsby - Acht vissersboten vergingen tijdens zeestormen, van de gezamelijke 53 opvarenden bleef men in het ongewisse. GvB 6 maart 1889

Frankrijk, het driemastschip 'Le-Port-du-Bouc, die 2.700 vaten petroleum aan boord had, vatte vuur. Er vielen 2 doden en 7 bleven vermist. GvB 11 maart 1889

Engeland, Chattram - Tijdens werkzaamheden gedaan door galeiboeven, deed er zich een grondverzakking voor, waarbij er 7 bedolven werden. GvB 13 maart 1889

Frankrijk, Paimpol - Het schip 'Agile', kwam in aanvaring met de kliffen. Van de 22 bemanningsleden kwamen er 8 om het leven. GvB 13 maart 1889

Rusland, een trein van de transkaspische spoorweg ontspoorde in een ondertunneling. Er was sprake van 50 doden. GvB 18 maart 1889

Engeland, Wrexham - In de Brynallykoolmijn op twee mijl van Wrexham deed er zich een ontploffing voor, waarbij 20 doden te betreuren vielen. GvB 18 maart 1889

Verenigde Staten, Kansas-City - In de stedelijke stallen van de reinigingsdienst brak er brand uit. Er vielen 12 doden. GvB 20 maart 1889

Frankrijk, in het departement van Gard, gebeurde er een ontploffing van grauwvuur in de koolmijn van Portes. Er werden 14 mijnwerkers gedood en 6 werden gekwetst. GvB 20 maart 1889

Frankrijk, in de koolmijn van Bernazede werden 15 werklieden gedood en vielen er 15 gewonden door een ontploffing. GvB 20 maart 1889

Frankrijk, Duinkerke - Twee Belgische postboten de 'Princesse Henriette' en de 'Comtesse de Flandre' kwamen in aanvaring, er vielen 15 doden te betreuren. GvB 30 maart, 1 en 3 april 1889

April

Argentinië, op de spoorlijn van Buenos Aires naar Rosario ontspoorde er een trein en brak er brand uit. Men telde 12 doden en 40 gekwetsten. GvB 1 april 1889

Mexico, Guadalajaro - Op het Chapala-meer zonk een stoomboot. Men telde meer dan 20 doden. GvB 1 april 1889

Africa, de stoomboot 'Natal', die Calcutta verlaten had en die naar Natal vaarde, verging naar alle waarschijnlijkheid. Men betreurde 30 doden. GvB 1 april 1889

Rusland (Polen), Linsk - Deze stad werd nagenoeg volledig verwoest door opzettelijke brandstichting. Er vielen 84 slachtoffers. GvB 1 april 1889

Duitsland, Rönsahl - Daar werd een dynamietfabriek door brand verwoest. Er vielen 6 doden en 2 gekwetsten. GvB 1 april 1889

Engeland, Plymouth - De stoomboot 'Sumatra', een schip van 2408 ton verging in volle zee, nadat er brand was uitgebroken. Er viel 1 dode te betreuren en 35 gewonden. GvB 1 april 1889

Engeland, Schotland, Australië en America werden door zeestormen geteisterd. Talrijke boten vergingen waaronder: 15 Engelse en 13 vreemde. Boot de 'Conserva' telde 40 doden. GvB 1 april 1889

Australië, Samoa - Duitse en Amerikaanse oorlogschepen: 'Adler, Olga, Eber, Trenton, Vandalia en Nipsie' vaarden te pletter op de kliffen. Men betreurde 143 doden. GvB 1-3-17 april 1889

Duitsland, Erin - Vond er een grauwvuur ontploffing plaats te Castrop waardoor er 25 personen verongelukten. GvB 15 april 1889

Oostenrijk, Mährisch-Ostrau - In de Rotchilds koolmijn Tiefblau kwamen bij een ontploffing 5 mijnwerkers om het leven, 5 andere vermist en 2 ernstig verwond. Gvb 22 april 1889

Verenigde Staten, New-York - De grote reuzel en spekfabrieken van Wilcox in de 59th street werden door brand verwoest. Twee werklieden sprongen zich te pletter. GvB 24 april 1889

Argentinië, Rosario - Op de spoorlijn tussen Baucalari en San Martin gebeurde een een ernstig soorwegongeluk waarbij 50 doden en 72 gekwetsten vielen. GvB 24 april 1889

Mei

Verenigde Staten, Michigan - Bij een tramongeluk vielen er 6 doden te betreuren. GvB 15 mei 1889

Verenigde Staten, Pensylvanië - Bij een mijnongeluk te Midleport vielen er 10 doden. Dit gebeurde tijdens het naar boven komen in de schacht. GvB 15 mei 1889

Verenigde Staten, Oregon - Het stoomschip' Alaska' zonk aan kaap Blanco. De kapitein en 12 man werden gered, 5 verdronken er en voor 36 andere werd voor hun leven gevreesd. GvB 20 mei 1889

Canada, Saint George - Een geweldige brand vernielde in deze voorstad van Quebec, 700 huizen. GvB 20 mei 1889

Vermoedelijk in Mexico - De 'Seafox' geladen met buskruit kwam ter ontploffing te Quime(n)ra. De kapitein en 5 matrozen werden gedood en 6 werden gekwetst. GvB 20 mei 1889

Canada, Montreal - Nabij de kaap Trembles, kwam de stoomboot ' Cynthia' in aanvaring met de ' Polynesian'. Er vielen 8 doden te betreuren. GvB 27 mei 1889

Juni

Noord-Amerika, Johnstown - Men maakt melding dat er daar 1.500 mensen zijn omgekomen door overstromingen. Volledige steden staan er onder water. GvB 3-12 juni 1889

Verenigde Staten, Conemaugh vallei - Overvloedige regenval zorgen, dat dijkbreuken ontstaan in voornoemde vallei. Acht steden worden weggeveegd, met 20.000 doden. GvB 5 juni 1889

Rusland, Wilejka - Een onbekende oorzaak zorgde ervoor, dat er in de trein van Warchau naar Petersburg brand uitbrak. Er vielen 3 doden te betreuren. GvB 10 juni 1889

Duitsland, Reichenbach - Onweders zorgden voor heel wat schade. Een fabriek brandde volledig uit en er vielen 8 doden te betreuren tijdens overstromingen. GvB 10 juni 1889

Verenigde Staten, Seattle - De grootste stad in de staat Washington met zijn meer dan 10.000 inwoners werd volledig door brand verwoest. Er vielen meerdere doden. GvB 12 juni 1889

Ierland, Armagh - Bij een spoorwegramp met twee treinen waarin gezamenlijk 1.200 kinderen zaten vielen er 72 doden en meer dan 150 gewonden. GvB 17 juni 1889

Juli

Duitsland, Rörhrmoos - De sneltrein van München-Treuchtlingen en omgekeerd kwamen in botsing. Men telde 10 doden en 11 gekwetsten. GvB 10 juli 1889

Frankrijk, Saint-Etienne - In de mijn van'Verplilleux', vielen er 156 doden, in de mijn St.-Louis 49, in Jabin 7 en in de mijn 'Mars', 1 dode. Dit gaf 213 doden aan. GvB 13 juli 1889

Engeland, Plumgarths - In de kalkovens van R.L. Robinson, kwamen 4 arbeiders door verstikking om het leven. GvB 22 juli 1889

Hongarije, Paks - In deze stad brak er een hevige brand uit, die 400 huizen, de kerk en de kazerne in de as legde. Heel wat kinderen kwamen om het leven. GvB 27 juli 1889

Hongarije, Zuid-Hongarije - Daar hielden hevige stormen enorme ravage aan, waarbij 5 landbouwers werden gedood en heel wat mensen in de Donau verdronken. GvB 31 juli 1889

Augustus

Frankrijk, Dures - Een trein die van Caen naar Trouville reed, ontspoorde waarbij de treinoverste en de vrouw van de bareelwachter omkwamen. GvB 12 augustus 1889

Engeland, Spitalsfields - Een grote winkelbrand van Pigott en Co in de Boothstreet stond in lichterlaaie. Een agent kon 6 kinderen redden. Men vreesde het ergste voor de vermiste personen. GvB 14 augustus 1889

September

Japan, Kumameto - Een aardbeving vond vorige maand plaats waarbij 930 huizen werden verwoest en men telde 41 doden. GvB 4 september 1889

Duitsland, Munster - Een stoommolen van Hölscher kwam tot ontploffing. De molenaar werd gedood. In een straal van 200 m. werden alle huizen beschadigd. GvB 9 september 1889

Engeland, Penicuik - In de 'Maurice Wood Pit' mijn woedde een brand, waarin zich 60 mijnwerkers bevonden. Ogenblikkelijk werd 4 doden naar boven gehaald, later nog eens 36 lijken. GvB 11 sept en 9 okt 1889

Engeland, Wandsworth - In de Dormay's-Warf, Bell-Lane van Burrougs and Welcome brak brand uit. Brandweerman Jacobs kwom om in de brand. GvB 16 september 1889

Verenigde Staten, de oostkust wordt door hevige stormen geteisterd, waardoor 37 mensen n.a.v. schipbreuken het leven lieten. GvB 18 september 1889

Engeland, Warwickshire - In de Alexandraput van de Wijkers koolmijn, ontspoorden enkele wagons door een menselijke fout. Er vielen 3 doden te betreuren. GvB 21 september 1889

Canada, Quebec - Een rotsblok van de Dufferin-vlakte kwam los en verpletterde heel wat huizen. Er werden 30 lijken en 20 gewonden vanonder het puin gehaald. Men bleef zoeken naar 36 vermisten. GvB 23-25 september 1889

Italië, Napels - Een wolkbreuk zette de omgeving van Napels volledig blank. Er was instortingsgevaar voor 150 huizen, waarvan er 37 huizen onder water stonden. GvB 30 september 1889

Italië, Porta - Een dak van een nieuwgebouwde woning stortte in. Er werkten 60 arbeiders waarvan er 6 de dood vonden en 14 ernstig werden gewond. GvB 30 september 1889

Oktober

China, Sanghai - Tijdens een proefvaart met stoomjacht, ontplofte de ketel, waarbij er 11 doden vielen en 12 personen vermist. GvB 7 oktober 1889

Italië, Napels - Het paleis van San Severo uit de 16e eeuw stortte op een gegeven moment in. Als bij wonder bleven de bewoners ongedeerd. GvB 7 oktober 1889

Verenigde Staten, New-Orleans - De imposante Missisipi-stoomboot 'Corona' ontplofte tijdens het voorbijvaren van de 'St.-Louis'. Er was sprake van 40 doden. GvB 9 oktober 1889

Sardinië, een storm teisterde het eiland. Te Quarto werden 200 huizen vernield, te Quartucci 50 en te Pizzi 10. Er vielen meer dan 10 doden. GvB 9 oktober 1889

Duitsland, Stuttgart - Bij een spoorwegongeluk te Vailhingen vielen er verschillende doden en gekwetsten. GvB 14 oktober 1889

Engeland, Staffordshire - In de 'Mossfield-koolmijn', Adderly Green, Longton gekend als de 'Big Sal Pit' gebeurde er een ontploffing. Gevolg 70 doden. GvB 21 oktober 1889

November

Engeland, Calcutta - Het schip de 'Polar' eigendom van Brocklebank, die op 5 juli met 32 man aan boord de Kaap voorbij was gevaren bleek spoorloos. GvB 4 november 1889

Engeland, Glasgow - In de tapijtenfabriek van James Templeton and A, stortte het gebouw in. Van de 140 meisjes die er werkten overleden er 29. GvB 6 november 1889

Engeland, Liverpool kreeg het bericht binnen, dat de ''Arethusa' uit 1869 met bestemming Valparaise geheel is vergaan met 13 matrozen aan boord. GvB 6 november 1889

Duitsland, Recklinhausen - Bij een mijninstorting zaten 250 kompels ingesloten. GvB 25 november 1889

Turkije, Constantinopel kreeg het bericht binnen, dat de stoomboot 'India' met 500 pelgrims aan boord in de Egeïse zee was gezonken. De kapitein en 2 reizigers konden worden gered. GvB 30 november 1889

December

Verenigde Staten, Idaho - Vanuit Blackfoot meldde men, dat een zwakzinnigeninstelling door brand werd getroffen, waarbij 8 mensen omkwamen. GvB 2 december 1889

Frankrijk, trein nr. 15 die van Parijs naar Brussel reed, kwam in botsing met een goederentrein die vanuit de andere richting kwam. Er vielen 12 slachtoffers. GvB 18 december 1889

Ierland, Holyhead - Een schip de 'Tenby Castle' zonk met 14 matrozen aan boord. Men kon 3 matrozen redden. GvB 21 december 1889

Frankrijk - Het Nederlands stoomschip 'Prins Willem I' kwam in aanvaring met een onbekend zeilschip en zonk. Er werden 13 schipbreukelingen vermist. GvB 26 december 1889

Rusland - In het grote artilleriemagazijn van Bakoe ontplofte er een bom, waardoor brand ontstond met vlamoverslag, gevolgd door meerder ontploffingen. 4 doden. GvB 26 december 1889

Verenigde Staten - Bij een mijninstorting in San Andreas werden 16 mijnwerkers onder het puin begraven. GvB zaterdag 26 december 1889

Bron:
GvB=Gazette van Brugge

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey
© SABAM













maandag 25 april 2011

Jules-Joseph d'Anethan 1803-1888


Laatste update: 24-10-2013


Minister van Staat Jules-Joseph d'Anethan (1803-1888)
Jules-Joseph d'Anethan (1803-1888)
Staatsminister Jules-Joseph d’Anethan overleed op maandag 8 oktober 1888. De liberale kranten uit die tijd spraken met eerbied bij het overlijden van d’Anethan.

Hij werd te Brussel geboren op 23 april 1803. In 1826 werd hij substituut van de procureur des Konings en in 1831 werd hij procureur des Konings te Dendermonde. Het jaar daarop werd hij substituut van de procureur-generaal bij het Beroepshof te Brussel om er tenslotte benoemd te worden in 1836 bij datzelfde Hof als advocaat-generaal.

Baron Jean-Baptiste Nothomb (1805-1881)
Jean-Baptiste Nothomb (1805-1881)

In 1843 verliet hij het rechtswezen en stapte in de politiek. Op 16 april 1843 werd hij gevraagd om deel uit te maken van het Ministerie van Jean Baptiste Nothomb, waarbij hem het Ministerie van Rechtswezen (Justitie) werd toevertrouwd. Hij bleef Minister tot in 1847. Dit was het jaar waarin de liberale partij de meerderheid hadden verworven.


artikel begrafenis d'Anethan
Gazette van Brugge
10 oktober 1888
Voordien in 1844 werd hij als vertegenwoordiger verkozen voor het arrondissement Leuven. In 1849 werd hij als Hoogkamerheer (Senator) verkozen voor het arrondissement van Tielt en zou steeds herverkozen worden tot wanneer hij omwille van gezondheidsredenen in 1888, zijn ontslag gaf. In 1856 werd baron d’Anethan tot waardigheid verheven van Staatsminister.

Wanneer in 1870, de katholieke strekking terug de meerderheid waartoe hij behoorde, hadden verworven, werd hij door de Koning belast tot de vorming van een nieuwe regering. Doch moest hij in 1871 met zijn ambtgenoten ontslag geven, door het aanhoudende liberale straatoproer. Dit kwam voor hem hard aan, temeer er in 1872, zij terug het voorwerp werden van talrijke betogingen.

In 1884 werd hij tot voorzitter van de Hoogkamer (Senaat) verkozen, waarbij hij de stemmen kreeg van zijn tegenstrevers. Op 7 mei 1888 werd baron d’Anethan, op een schitterende wijze vereerd door het arrondissement van Tielt, die aan hem een feestmaaltijd aanboden met daarbij een mooie grote medaille als blijken van erkentenis. Op de medaille stond aan de ene kant de afbeelding van hem en op de andere kant een beschrijving van zijn politieke loopbaan.

Bron:
Gazette van Brugge 10 oktober 1888

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
©Noël De Mey

zaterdag 23 april 2011

Het overlijden van Mgr. Hendrik-Frans Bracq (1804-1888)

Laatste update: 24-10-2013

Mgr. Hendrik-Frans Bracq (1804-1888)
Mgr. Hendrik-Frans Bracq
1804-1888
Hendrik-Frans Bracq werd te Gent op de St.-Baafsparochie geboren op 26 februari 1804. Na zijn middelbare studies met onderscheiding voltooid te hebben, ging hij op 18 december 1821 naar het Seminarie om er op 27 mei 1825, de geestelijke kruin, der mindere orde en het subdiaconaat te ontvangen.

Op 2 augustus 1827 werd hij tot priester gewijd in het aartsbisschoppelijke paleis van Mechelen. Kort daarna werd hij aangesteld als bijzondere leraar in het Schriftuur en Godgeleerdheid van de jongelingen, die door tijdsomstandigheden belet waren in het Seminarie te treden. Zij kregen dan ook de naam toegewezen van de ‘Bracquisten’.

In 1829 werd hij coadjutor van de pastoor St.-Marijn ( Akkergem) te Gent. Vervolgens op 3 februari 1830 werd hij leraar van het H. Schrift benoemd in het Seminarie. Een ambt, dat hij zonder onderbreking zou blijven waarnemen tot aan zijn benoeming tot bisschop van Gent. Vijf jaar later werd hij tot bestuurder benoemd der kloosters van de Visitatie. Hij zette zich verder in met zijn nauwgezet beleid tot het ontwikkelen en vooruitgang van het laag- en middelbare onderwijs voor burger- en volkskinderen.

Hij werd als erekanunnik aangesteld op 12 mei 1834, Synodale examinator en in 1838 lid van de Bisschoppelijke Raad. In 1849 als kanunnik titularis theologie en in 1864 Doctor in de Godgeleerdheid, ‘honoris causa’. Het werd voor hem ook een beslissend jaar, dat zijn leven verder zou bepalen. Door het plotse overlijden van Mgr. Delebecque, op 1 december 1864, werd erekanunnik Bracq nog dezelfde maand op 27 december als nieuwe bisschop van Gent benoemt.

Zijn benoeming werd met veel geestdrift en enthousiasme onthaald van het bisdom, maar ook van de Gentse bevolking. Hij was immers een lid van een der voornaamste achtbare families, van Handel en Nijverheid van Gent.

Zijn bisschoppelijke wijding met inhuldiging vond plaats op 1 mei 1865. Gedurende de 23 jaar, dat hij in zijn bisdom verantwoordelijk was, wist hij verschillende katholieke werken tot een goed einde te brengen. Zijn voornaamste werken waren: "de St.-Pieterspenning, de voortplanting van het Geloof, de Broederschappen van het H. Hart, de werkmanskringen, het Aartsbroederschap van de H. Franciscus-Xaverius en de conferenties van de H. Vincentius a Paulo".

Bovendien stelde hij bijzonder belang in het Werk der behoeftige Moeders, waarbij zijn bescherming over de Vlamingen tot ver buiten het land reikten. Hij stelde priesters van zijn bisdom, aan het hoofd aan van het Werk der Vlamingen te Parijs. Hij stuurde ook een Vlaamse priester naar Argentinië om er de geestelijke noodwendigheden te voorzien van zijn landgenoten.

Op zondag 17 juni 1888, om 07u00, overleed Mgr. Hendrik-Frans Bracq in het volle verstand van zijn geestesvermogen. Hij werd opgevolgd door Mgr. Hendrik Lambrecht.

Bron:
Gazette van Brugge 20 juni 1888
© SABAM

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noêl De Mey

Wat reuzengeschiedenis van Brugge


Laatste update: 24-10-2013

Brugge had eeuwen geleden reeds zijn Ros Beiaard, reuzenmannen en vrouwen.

Joost De Damhouder vertelt in zijn ‘Cronycke van Vlaenderen, omstreeks het jaar 1550, over de Reus Goliath en het paard van Troye oft ‘Rosbeyderspeerdt’ anders geseyd ‘Het Peerdt van Amesien ‘, die in dezelfde H. Bloedprocessie ging. 

Poertoren met kruitmagazijn
Poertoeren met kruitmagazijn
aan het Minnewater te Brugge
Er was reeds in 1512 al sprake van de Brugse reus ‘Goliath’, die door een verschrikkelijke brand op 7 maart 1575 om het leven kwam. De Brugse reus ‘Goliath’, had destijds zijn onderkomen in een schuur, dat naast de Poertorre gelegen lag.

‘….so barnden, up de moere, beede de scheuren van den Stedenhuuse, ten Minnenwater, daeraf d’eene was twerckhuis ende d’andere daerinne stonden de reuze ende alle andere toghen van de stede, dienen ter decoratie van den heilgen bloeddach: die ooc al verbarnden: en was ’s anderendachs oheschauwet naer costume. (Secrete Resolutieboec)’

Het was in deze schuur waar dat ook nog ander stadsmateriaal gestapeld stond, een brand zou woeden. Goliath, de mythologische sprookjesfiguur kon tegen het hellevuur niet optornen en moest het onderspit delven. De kolos onderging een verschrikkelijke vuurdood en verdween voorgoed.

Nieuwe Brugsche Reus in 1666

Pas in 1666, zou Brugge terug een geboorte mogen meemaken van reus ‘Trevanus’, die een dochter had, ‘Rosalie’ genaamd en met de Perzische reus ‘Aureliaan’ in 1670 huwde. Vervolgens kreeg Trevanus nog twee zonen namelijk ‘Majoraen’ en ‘Grudius’.

In een handschrift dat dateert uit 1686, die acht bladzijden telt (0.16 x 019m), staat een beschrijving te lezen, over de jaarlijkse ommegang:

‘Korten tijd daer naer volgde den gewoonelvcken ommegang van reusen, reusinnen, Rosbeyaertspeerd en verscheyde andere wagens seer aerdig opgepronckt tot groote genoechte van de aenschouwers’.

In de Chronycke van Vlaenderen door N.D. en F.R., nóg over 1686, is er sprake van:

‘…den befaemden Reus Trephanus verselt met vier kleyne Reuskens en soo veel Reusinnen, maer al even bevallig als konstig aengetackelt’.

Een zekere dichter Gheleyn Scheppers, schreef enkele maanden voordat de Meifeesten plaatsvonden, het volgende:

‘Men plagh weleer te sien oock jaerlycksche vreughden,
‘Als ’t landt in ruste was, en dat tijden deughden:
‘Men sagh een reus in Brugh’ met een Ros-Bayaert peert.
‘Maer door ons sondens straf is ond die vreught gheweert’.

Brugge kreeg er nog Reuzen bij

Nu moet men weten, dat het land toen tot over zijn kop jarenlang in grote oorlogen van Lodewijk XIV waren verzeild. De Bruggelingen noemden hem ‘Pietje Quatorze’ met zijn grote mond. Hij droomde weliswaar van roste duivels en uitte de wens, om het land geheel in te palmen daarmee.

Maar 1686, was voor Brugge een jubeljaar voor het Heilig Bloed. Willen of niet…Brugge zou vieren. Het was immers honderd jaar geleden dat Jan Perez de Malvenda het H. Bloed uit de klauwen der geuzen verlost had.

Met de reuzenfamilies stelden onze goede voorouders zich ook overal nier meer tevreden. Er moesten er steeds meer zijn! Grootvader en grootmoeder werden uitgenodigd, daarboven nonkel met matant met de schoonzoon en daarbovenop de vrienden. Zo stapten te Lier en te Brugge in het laatst van 17de eeuw negen reuzen in de stoet.

Reus Trevaphanus, kwam na het treurdicht van bovenvermelde Scheppers met zeven andere Reuzen op de proppen, om in de ommegang deftig mee te stappen. Het jaar daarna, volgens het boekje van Van der Plancke ‘thesaurier’ van Brugge, staat te lezen, dat er vier nieuwe Reuzen, die luisteren naar volgende namen:

‘Macharius, Poliphemus in een kinderwagen gelegen, Orestes en Machogge, die de vrouw was van Trefaen. De vrouw van Trefaen, die aardig was aangetroeteld met dikke kloefen, hoort men dikwijls heden ten dage nog zeggen, wanneer men er uitziet zoals zij: ‘Né!....’t is lijk moeder Machogge’.

Het verhaal van de Reuzen gaat nog verder. Er is sprake van wanneer Reus Trevanus terugkeert van het beleg van Wenen, hij de Turk heeft verslaan. Reus Aurelianus vond het op zijn beurt jammer dat hij bij Diederik van den Elzas en bij zijn vader niet was, om er mee te vechten.

Ieder jaar terug tot aan 1696, bracht men nieuwigheden in het Reuzenvertoon. Misschien doen we er goed aan, om de geest uit die tijd der Reuzen beter te verstaan en in een kader te brengen. Iets dat eigenlijk niet misplaatst zal zijn. Alles kwam ten berde in stoeten zoals deze van:

’‘Ortuyne’, de laatste ‘steersterre’, de ‘Pellicaen’, ‘den Bergh Parnassus’, met de neghen Sanghgodinnen, dewelke het Bloed Christi singhen weerdiger als den Hypocreenschen Vloedt’ ‘den Hemel-en den Hellewaeghen van Brugghe’ met de duivels: ‘Hentje peck, Pluto, Rhadamantus, Mahomet, Asmodeus, Satan, Belial en Leviathan’.

Stamvader Trevanus kwam aan het woord en citeert:

‘Godt lof, hier ben ick bij mijn huisgezin verschenen
Vol pracht en heerlijkheid; mijn droefheid is verdwenen.
Al ben ik buiten in het land, dan hier geweest
Nu ben ik heel gezind dees Brugsch kermisfeest
En dese jubilé met vreugde in doorbringen,
Om wat vermaeck te doen aen dese vreemdelingen.
Wat dunkt u, Aureliaan, van zoveel vreemde lien?

Aureliaan

Ik heb nimmerzeer zooveel bijeen gezien!
Papa! Hoe, komen zij bezien onze kleren?

Trevanus

Neen! Maar zij komen hier begroeten ’t Bloed des Heeren
Dat over 100 jaar in ‘tkristallijne glas
Verheven werd gelijk het van te voren was,
Dat Frederick de Graaf alhier tot Brugge brachte
Wanneer men schreef het jaar elfhonderd veertig achte’.
Enz., enz.

Hoe zagen onze reuzenpoppen er eigenlijk uit? Hun lichaam was meestal van bordpapier gemaakt. Daar bovenop wordt dan soms een kunstige houten kop opgeplaatst. De handen zijn meestal van hout De onderste ledematen zijn vervangen door die van de dragers, die onder de lange rok verborgen lopen.

Wandelende en rijdende reuzen waren voorafgegaan door trommelgeluid en fluit of soms van een ‘moeselaar’ of doedelzakspeler. Niet overal waren ze echter tevreden over deze muziek en werd dit door vioolmuziek vervangen.

Gaan we nu naar het jubeljaar van 1749, waar dat er op 3 en 18 mei van dat jaar de generale processie uitging, volgens de beschrijving van de vreugdeteeckenen van Andreas Wydts:

Toen de ‘Processie van Devotie naer den 12 uren binnen’ was en nadat de ‘Busschieters staende gerangeert voor het Stadt-huys, sonder dan te spaeren poer, dry mael hunne Musquetten ghelost hadden, ten tijde dat het H. Bloedt op de Capelle weg gestelt wierdt’, begon ‘den ommegang van de zeven Triump-Wagens’ ‘de Rijbende of Calvacade’ en ‘de Verthooningen gegeven bij de respectieve Ambachten ende Neringen’.

De ‘Verthooningen’ bestonden uit een heelen reesem gepinte wagens met al de beesten op van den dierentuin en wildemans rondom en heidensche goden, water- en boschgodinnen….Ook Bacchus was erbij. Zo trokken een pelikaan, een arend, een zwaan, een feniks, een struisvogel, een os, eenn nachtegaal, een kemel, een rhinocerus, een krokodil, een walvis en een eenhoorn voorbij.

De pelikaan, die sedert alouden tijden symbool stond voor vader- en moederliefde, thans van de Zaligmaker zelf, die ons in ’t Heilig Sacrament met zijn eigen Vleesch en Bloed spijst, was aangewezen om in de verheerlijking der heiligen een grote rol te spelen. Daarom stelde hij in Brugge in 1749 d’oprechte liefde’ voor. De zwaan beelde op zijn beurt het zinnebeelde uit van de stervende Christus.


De Brugse reuzen uit 1749
Ros Beiaard van Brugge 1749
Het Ros Beiaard van Brugge 1749
En allen, met evenveel devotie, zongen, klongen en dopten dichten af…ter eere van het Heilig Bloed. Dan volgden het ‘Ros-Beyaertpeerdt met de vier Aymons-kinderen daerop sittende en vier Schildt-knaepen te voet’.Het Ros was 25 voet hoog. Bruanus was de oudste broerder. Dan volgden Caucatius, Sanarus en Conigentius. De vier schildknapen heten: Stautavus, Ingelbertus, Vosenus en Fabianus.

De Brugse reuzin Floriana 1749
De Brugse reuzin Floriana 1749
Eindelijk kwamen de Reuzen. Het was immers 53 jaar geleden dat men ze niet meer gezien hadden. Eigenlijk lag het stadsbestuur een jaar ten achter met de viering van dit jubeljaar. De stad Brugge wilde niet eerder beginnen zolang zij van de Fransen niet ontdaan waren. Het feest dat destijds zijn doorgang had, had véél mooier kunnen zijn, want "het speet de Borgers seer, dat sij hun werck niet naer wensch hadden kunnen voltoyen, door tydt gebreck".


De Brugse reuzin Fedelia 1749
De Brugse reuzin Fedelia 1749
Als eerste in de rij zag men reuzin, dochter ‘Floriana’, die 15 voet hoog was. Gevolgd door reuzinmoeder ‘Fidelia’, die 21 voet hoog was, met daarna de nagelnieuwe Reus ‘Germanus’; die 26 voet hoog was.
Reus Germanus was de zoon van Aureliaen en Rosalie uit 1670 en moest grootvader zeggen tegen Trevaen uit 1666. Dat geslacht was immers volledig uitgestorven. Dit volgens Stadsdrukker Andreas Wydts, die woonachtig was in de Breydelstraat in St.-Antonius. Na 53 jaar van afwezigheid, zo vertelt Reus Germanus in de stoet, kwam hij zijn ‘hou en trouw’ bieden aan Prins Karel van Lotharingen, om ons ‘Vlaemsche Recht te helpen Staeven’!

De Brugse reus Germanus 1749
De Brugse reus Germanus 1749
In de ‘Jaerboeken van Custis’(1704-1752), vind men dezelfde Reuzen. Maar in het boek met titel: ‘Beschryvinge van het Dierbaer H. Bloedt Jesus Christi’, uit 1749 gedrukt bij J. Beernaerts (26 blz.) worden de Reuzen en het Ros anders voorgesteld. Ook Beernaerts woonde in de Breydelstraete.

De ergste vijanden van de reuzen

Maar om te besluiten hadden de reuzen ook hun vijanden. Hoe vreemd ook het moge wezen, toch moesten deze goedaardige loebassen alert zijn. Buiten het vuur waren hun gevreesde vijanden, de ratten en de muizen, die hun karkassen stuk knaagden met hun scherpe tanden . Niet alleen dat, maar ook was het de mens zelf, die ooit deze reuzen lieten verbranden.

Het verbod van 1786

In 1786, verbood Jozef II en de koster, die met verontwaardiging de stoeten aanschouwde, om nog zulke vertoningen te laten doorgaan. Vervolgens zorgde de Franse Revolutie, de Scansculotten ervoor, dat zij op de brandstapel terechtkwamen, onder het zingen van een dolle ‘Carmagnolle’ en van het huilen van een woeste ‘ça ira’.
Het waren de oorlogen, die de dorpen en steden verwoesten en zo de bloeiende oorden in vormeloze puinhopen deden herschapen. Maar geen enkel van deze machten slaagde er ooit in, om het geslacht der reuzen uit te roeien…

We maken een sprong naar 1947

In West-Brugge maakten de inwoners in 1947, de geboorte mee van een eerste nieuwe reus, die naar de naam Gravin d’Essar zou luisteren’. Het jaar daarop in 1948, kwam reus Portos haar vervoegen. Twee jaar later in 1950, was het terug feest in de wijk van West-Brugge, want reuzin en marktkraamster Moeder Louise, deed haar intrede. Het was nog niet gedaan, want in 1954, maakte Medard De Cloedt (1907-1965), zijn laatste Brugse reus, Robrecht van Bethune.

Zijn inspiratie tot het maken van reuzen moet gezocht worden bij het betrekken van het café ‘Wit Huis’ destijds gelegen op de hoek van de Smedenstraat en Guido Gezellelaan. Op zijn zolder lag er een loodzware plaasteren reuzenkop.  
Brugse reuzen op de Burg in 1957 vlnr.: Gravin d'Essar (1947), Portos (1948), Moeder Louise (1950) en Robrecht van Bethune (1954)
De vier Brugse reuzen op de Burg in 1957 vlnr.: Gravin d'Essar,
Portos, marktkraamster moeder Louise en Robrecht van Bethune.
Deze Brugse reuzenfamilie werden door wijlen Medard De Cloedt
(1907-1965) tot leven gebracht.
Hoe deze er daar terecht gekomen was, wist niemand, die ooit destijds deel hadden uitgemaakt van zijn folkloristische groepering nog te herinneren. Optillen lukte helaas niet!
Naar verluidt heeft men deze kop moeten stukslaan om het naar beneden te kunnen brengen.

Na het overlijden van Medard De Cloedt in 1965, bezieler en ontwerper van zijn vier loebassen, treurden de reuzen om het verlies van hun schepper. Zij bleven lange tijd opgeborgen en bleven doelloos voor zich uitstaren.

Misschien nog dit: ‘ De reuzen van Nevele, vooral Wouter van Nevele en Joanna van Beveren, tonen vele gelijkenissen met gravin d’Essar en Robrecht van Bethune'. Er wordt in hun voorstelling en herkomst van beide reuzen, naar Medard De Cloedt verwezen.

Bronnen:

Zie het boekje geschreven door Dr. C. De Baere (N.V. Standaard-boekhandel- Brussel uit 1930), dat gaat over: ‘Onze Ommegangsreuzen’.
Vervolgens ook Biekorf ‘H. Bloedprocessiën’, door H. Rommel, jaargang 1900
Jaerboeken van Custis. Onder Carel den V Keyser XXXII Graeve


Foto’s: verzameling Noël De Mey
© SABAM

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey

woensdag 20 april 2011

De instortingsramp te Antwerpen en brand te Berchem in 1906


De krant ‘Het Huisgezin’ van zondag 18 maart 1906, blokletterden op hun voorpagina, dat er op een donderdagnamiddag begin maart 1906, een in opbouw zijnde hoofdschool voor meisjes in de Korte Ridderstraat was ingestort. Er waren toen dertien werklieden werkzaam, waaronder: ‘ 7 timmerlieden, 3 plafoneerders en 3 werktuigkundigen, die in de kelder een ketel aan het plaatsen waren’. Aannemer dhr.Uyteroeven en de toezichthouder der werken dhr. Melis, bevonden zich op dit moment in de kelder.
Een alerte plafoneerder kwam hen waarschuwen, dat een der vloeren aan het zakken was, daar zij dit aan hun stelling gewaar werden. Voor hun leven - al roepend - naar beneden rennend, waren zij nog niet volledig buiten of de vloer van het tweede verdiep stortte in. Door het gewicht begaf ook de vloer van het eerste verdiep en dat van het gelijkvloers. Alle puin kwam daardoor in de kelder terecht.

Diegenen die konden vluchten waren met verstomming geslagen. De drie timmerlieden die werkzaam waren op het gelijkvloers werden bedolven of meegesleurd naar de kelder met de dood tot gevolg.

De werktuigkundigen, die in de kelder werkzaam waren en geprobeerd hadden, de vlucht te nemen, werden op de trap enigszins verrast. De ingestorte vloer bleef gelukkig gedeeltelijk boven hun hoofden hangen. Zij werden wel ingesloten maar bleven ongedeerd.

Wanneer de reddingswerken goed op gang gekomen waren, stortte er een muur in en kwamen er twee reddingswerkers hierbij om het leven. Twee anderen en een politieagent liepen ernstige verwondingen op. Bij deze ramp vielen er zes doden te betreuren en zes levensgevaarlijk gekwetst. De verslagenheid onder de bevolking was groot.

Sigarenfabrieksbrand te Berchem-Antwerpen in 1906

Nog begin maart op een woensdag, om 08u30 brak er in de sigarenfabriek van de heren A. Claeys en van den Bussche, gelegen in de rue de la Paix te Berchem een omvangrijke brand uit.

Het enorme complex viel volledig ten prooi aan de vlammen. Pas omstreeks 11u00 werd men de vuurhaard meester, zodat er van uitbreiding geen sprake meer kon zijn. De schade bedroeg toen 500.000 oude Belgische franken wat nu zou neerkomen op ongeveer 3.000.000 euro.





Bron: 
Het Huisgezin, zondag 18 maart 1906
Noël De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.

© SABAM

dinsdag 19 april 2011

Enkele stichters van Biekorf in 1890


E.H. Emiel Demonie (°1846)

E.H. Emiel Demonie, was een der stichters van Biekorf. Hij werd te Roeselare in 1846 geboren en overleed te Brugge in 1890. Was leraar van de vierde Latijnse klas aan het Klein Seminarie te Roeselare, daarna de dichtersklas, dan onderpastoor in 1879 in de Sint-Gillesparochie te Brugge en in 1884 werd hij leraar in de godsdienst aan de Rijksonderwijzerressenschool.E.H. Edward Van Robaeys (°1855)

E.H. Edward Van Robays, eveneens een der stichters van Biekorf, werd in 1855 te Egem geboren. Hij overleed in het Indische Samtoli in 1906. Als leraar in de telkunst en Wetenschappen was hij vanaf 1881 verbonden aan het Sint-Lodewijkscollege te Brugge tot 1892. Trad binnen in ‘Gez. Jesu om in 1894 als geloofsbode naar Sjota Nagpore (Chota Nagpur)in West-Bengalen te gaan werken.E.H. Jan Craeynest (°1858)

E.H. Jan Craeynest, een der stichters van Biekorf, werd in 1858 te Oostrozebeke geboren. Na zijn Seminarie vertrok hij naar Leuven voor het volgen van leraarschappelijke scholen. In 1883 werd hij leraar der Retorica het Sint-Lodewijkscollege van Brugge. Werd in 1892 onderpastoor te Moeskroen om er vervolgens pastoor te worden van de Brugse gevangenis in 1900 en van 1904 als pastoor werkzaam te zijn te Sint-Michiels-Brugge. Hij was de bezorger van de uitgave in boekvorm van ‘Loquela’ na het overlijden van Guido Gezelle.E.H. August Van Speybrouck (°1843)

E.H. August Van Speybrouck, die ook tot de stichters behoorde van Biekorf, werd in 1843 te Brugge geboren. Hij was achtereenvolgens onderpastoor te Adinkerke (1868), te Klemskerke (1873), te Gistel (1882) en was vanaf 1904 Krijgsherder te Brugge. Het was onder zijn naam en impulsen, dat Biekorf de wereld werd ingestuurd.Vrijheer Jan Bethune (1821-1894)

Vrijheer Jan Bethune, die geboren werd te Kortrijk in 1821 en overleed te Marke in 1894, was een bekende stichter van de Sint-Lucasschool. Hij was van in het eerste beginuur, een steun en constante medewerker van Biekorf. Stond in voor het tekenen van de hoofding en voor andere gedenktekens in Vlaanderen, o.a. dit van het praalgraf van Deken De Bo te Poperinge.




Bron:
Ons Volk ontwaakt 25 april 1914
Noël De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
© SABAM

maandag 18 april 2011

Kanunnik Lodewijk Van Haecke (1829-1912)

Laatste update: 31-12-2013


Kanunnik Lodewijk Van Haecke 1829-1912
Lodewijk Van Haecke
1829-1912
Lodewijk Van Haecke werd geboren te Brugge op 18 januari 1829. Hij was een vlijtige leerling, die vlug kon lezen en schrijven. Na zijn middelbare studies ging hij naar het klein en groot seminarie. Als subdiaken werd hij als professor benoemd aan het Bisschoppelijk college te Poperinge. Korte tijd daarna werd hij als leraar benoemd aan het Bisschoppelijk college te Brugge, maar dit was van korte duur. Hij trad er in het klooster der Jezuïeten. Ten gevolge van ziekte moest hij het klooster verlaten, nadat hij zijn noviciaat beëindigd had.

Kanunnik Lodewijk Van Haecke 1829-1912
Lodewijk Van Haecke
1829-1912

Hij werd kapelaan te Roeselare en daarna als professor benoemd te Oostende. In juni 1862 werd hij opnieuw naar Poperinge gestuurd. Daar had hij het gemunt op de Poperingse staatsman Arthur van Compernolle en belandde zo in de politiek. Er ontstonden al vrij snel vlugschriften over deze staatsman in het door hem opgerichte maandelijks tijdschrift ‘De Zeesterre’ van datzelfde jaar.

Oorspronkelijk was het de bedoeling om in dit tijdschrift iets voor kinderen te schrijven, maar in 1864 werd er door een soort van comité, beleefd aan Van Haecke gevraagd ontslag te nemen. De reden was omdat hij te oud geworden was. Mgr. Faict was daarmee niet opgezet en liet dit weten, omdat Van Haecke zijn onderwerpen scherp op de voorgrond kwamen. Een bijzonderlijk gedicht van hem was: ‘Pietje de Dood’

Pietje de Dood

"Er was te Roeselare een zeker ventje, Jan genaamd…Eens had Jan een droom. Ik droom, zei Jan, dat ik naar Menen ging te voete…Gekomen aan den Aap – dat is een plaats langs de steenweg – sprong ik over de gracht en ging in het bos, ik weet niet meer waarom. Als Jan een eindje gegaan had, verschoot hij opeens, om erbij dood te vallen. Hij zag er immers een verschrikkelijk mager ventje tegen een boom zitten op amper vijf stappen van hem…Het was Pietje de Dood".

In 1864 werd Van Haecke benoemd tot geestelijk koster op St.-Michiels te Roeselare. Maar daar had hij nagenoeg hele dagen woordenwisselingen met de burgerkoster. Een overplaatsing drong zich op en kwam op de Sint-Jakobsparochie van Brugge terecht. Als ceremoniemeester van de Heilige Bloedprocessie kwam hij geregeld in aanvaring met de hoofdceremoniemeester Z.E.H. Kanunnik Deleijn. De reden was veelal te vinden in het feit, dat Van Haecke de naam van Mgr. Faict omschreef als ‘ Fieta Facit’. Ondanks daarvan, kwam hij over het algemeen heel goed overeen met Mgr. Faict.
Kanunnik Lodewijk Van Haecke 1829-1912
Lodewijk Van Haecke
1829-1912


Nog een meesterwerk van Van Haecke in navolging van ‘De Zeesterre’ was, de uitgave in 1877 van ‘Sinte Godelieve van Ghistel’. Het was een echt Vlaams volksboek, gemoedelijk met eenvoudige vertellingen, waar de kinderen die in patronaten gehuisvest waren naar hunkerden.

Hoe het anders kwam, dat Van Haecke kanunnik van Antiochië werd, daarover het volgende:

‘De Bisschop van Antiochië was Brugge komen bezoeken met Van Haecke als cicerone (begeleider). De buitenlandse Eminentie had zich zo goed vermaakt, dat hij voor zijn afreis het volgende schreef naar Van Haecke: ‘ Je vous porte dans mon coeur’. Van Haecke zette een h tussen de c en de o (choeur) en bedankte de Monseigneur voor zijne verheffing tot erekanunnik van Antiochië

Met ouder worden, nam hij als kapelaan ontslag van het Heilig Bloed en behield hij de titel van Ere-hoofdkapelaan van het Heilig Bloed. Lodewijk Van Haecke overleed op 25 oktober 1912  op 83-jarige leeftijd.

Volgende boeken werden door hem geschreven:

Poperinghe;
De geschiedenis van het H. Bloed;
O.L.Vrouw van Asschebroeck;
Notre Dame de la Poterie , à Bruges,…


Bron :
Ons Volk ontwaakt 30 november 1912
De eeuw van Brugge 1900-1919 - Brugsch Handelsblad
Noël De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
© SABAM

Een Blankenbergse sage

Laatste update: 31-12-2013

Oorsprong - volgens de legende - der lapnamen bij onze vissers

In de jaren zeventienhonderd en zoveel, stond er aan de voet van de Blankenbergse duinen aan de oostzijde een hutje, waarin een toverheks verscholen zat. Niemand waagde er om ’s avonds in de omgeving te vertoeven of er voorbij te trekken, want men zou zeker betoverd worden. De schrik onder de Blankenbergse bevolking zat er goed in, totdat in 1791 een geweldige storm uitbarstte.

waar het hutje stond van de Blankenbergse heks.
waar het hutje van de Blankenbergse
heks stond

Najaarse orkaanwinden berokkenden enorme schade. De golven waren zodanig reusachtig groot, dat men ze tot in Uitkerke konden zien! De daken van de enge huisjes werden simpelweg weggeblazen, evenals de schrale hutjes werden tot gruis herleid. Tot groot jolijt van de bevolking bevond zich ook het hutje van het venijn erbij en lag zij onder het puin begraven.

Blankenbergse Heks
Blankenbergse heks aan het werk
in haar hutje
Feest alom te Blankenberge, met vreugdetaferelen rondom de plaats van de vermeende heks. Zo goed als alle inwoners kwamen hun vreugde luidruchtig uitschreeuwen, dit tot laat in de nacht. Ook de dag nadien kwam men terug naar de plaats om verder te vieren, want de verlossing was te groot om die maar in één dag te vieren.

Opeens, terwijl er iemand in het puin aan het roeren was, kwam er een zwart hondje gelopen, met bellen rondom de hals, dat naarmate in grote toenam en voortdurend riep!: …Roes, roes, roes! Zo kreeg het de naam van Roeschaard! Algemeen werd aangenomen en zelfs gevreesd, dat de heks in een dier was veranderd. Vanaf dit moment, vertoonde Roeschaard zich onder alle gedaanten onder de Blankenbergse mensen. Vooral onder de vissers. De hond veranderde soms in een kat, in een ezel en dikwijls in een visser.

Meermaals werd de rust der vissers tijdens de nacht verstoord, door te roepen, dat er storm op komst was. Andere keren sleurde hij kleine kinderen weg. Vervolgens bemoeide hij zich tijdens de gesprekken van de vissers. Een woord kon de Roeschaard als het ware onmogelijk uitspreken. Het was de naam van de Almachtige, die hij met ‘Pot’ aanspraak. Men is tegenwoordig nog altijd de mening toegedaan, dat er van deze legende nog steeds iets van waar moet zijn, want men hoort dikwijls onder de vissers zeggen: ‘Potdomme, Potverblomme,…’! Men denkt werkelijk, dat het een laatste spoor zou zijn van de Roeschaard.

De vissers spraken over niets anders meer dan over de "Roeschaard".
Dagelijks gespreksonderwerp
van de vissers over de
Roeschaard. Zij spraken over
niets anders meer.
Vooral de vissers kregen het hard te verduren en moesten het dikwijls ontgelden. Wanneer er een klein schuitje tijdens de nacht op de kalme zee aan het dobberen was, zag de waker van dienst, de Roeschaard plotseling verschijnen. De kwelduivel kroop langs de zijkant uit de golven op en deed door zijn kracht het vaartuig vervaarlijk hellen, zodat het bijna kapseisde. En met zijn geweldige geroep van roes, roes, roes,… sprong het weer in het water. Trok men de netten op, gebeurde het niet zelden, dat de Roeschaard erin zat. Schaterlachend verscheurde hij dan de mazen van het net om dan terug in zee te verdwijnen.

Ook de vissersvrouwen ondervonden de plagerijen van de Roeschaard. Dikwijls lag er een kindje naast het wiegje hevig te schreien. Een medelijdende vrouw, die zich ontfermde en het verzorgde moest tot haar grote verbazing en schrik aanhoren, dat het ukje luidop begon te lachen en de kreet liet horen van: ‘roes, roes, roes,…’ Op den duur sprak men niets over anders meer, dan van de Roeschaard en zijn pesterijen. Onnodig hier erbij te vertellen, dat de Blankenbergenaars, waarlijk hun leven vergald zagen zien en het meer dan moe waren. Maar er kwam een uitkomst en redding.

De vreemdeling in aantocht
De vreemdeling in aantocht
Er verscheen een man, die beweerde aan de helse kracht van de Roeschaard een einde te kunnen brengen. De man zelf was een vreemdeling, die een huisje bewoonde, dicht bij de plaats waar ooit de vroegere toverhut stond. In zijn huisje had hij een altaar opgericht, waarop een groot boek lag en een toverroede rustte, die onontbeerlijk bleek te zijn tijdens het uitoefenen van zijn ambt. Nadat hij enige dagen in zijn wonderboek had gelezen, vertoonde de Roeschaard zich niet meer te Blankenberge.

Alle vissers kwamen de man bedanken en wilden voortaan bevrijd blijven van de kwelduivel. De zonderlinge man zei: ‘…dat het nodig was om van naam te veranderen. Wie een lapnaam droeg en bleef dragen, zou voor altijd bevrijd blijven van de Roeschaard zijn plagerijen’. Iedereen waagde erop om van naam te veranderen. De zonderlinge vreemdeling, begon alle vissers te herdopen met zeewater, waaronder de Roeschaard de vissers niet meer zou herkennen. Hij sprak volgende woorden uit:

Ik doop u,
En Roeschaard,
Die lelijkaard,
Keere zich om,
Romme, dom,dom,
Uw naam is… (dan werd de lapnaam uitgesproken)

Hierbij ontstond het gebruik om de vissers te herdopen, totdat de Roeschaard helemaal was vergeten. Bij latere gebruiken was er zelfs geen spoor meer van hem te herkennen. Een volgend doopvers, dat in de loop der tijden in gebruik werd genomen, was de volgende:

De olme dol,
De versche dol,
Den edelbot,
Den advocaat,
Waer ’t waeter in gaet,
Uw naam is...

Heden ten dage is het gebruik van herdopen bij de vissers verloren gegaan. De lijst der lapnamen nam vanaf dit moment dan ook geen uitbreiding meer en gingen over van vader op zoon. Nooit werd een visser door zijn maten met zijn ware naam aangesproken en was de familienaam totaal onbekend.

Dit was een van de redenen, dat er bij het postbeheer van toen, in het visserskwartier heel wat brieven niet besteld konden raken, omwille van de lapnaam en adresloos waren. Kinderen van vissers die op school zaten, wisten zelfs hun eigen familienaam niet, gewoonweg omdat zijn steeds met hun lapnaam werden aangesproken. Lapnamen zoals: ‘Tabak, Spelle, Keerse, Schelemussche, Kloefe, de dikke, de magere, de scheele,…

Noot: deze sage werd voor een eerste maal gedeeltelijk in het Jaarboek van Conscience’s Genootschap te Blankenberge in het jaar 1873 neergeschreven. Hendrik Conscience verbleef veel te Blankenberge, had er veel vrienden en hield er het Vlaamse leven zo in stand. Bovendien vertoont de Blankenbergse sage veel gelijkenissen met die van "Lange Wapper", die te Antwerpen in de Schelde verbleef.

Bron:
Ons Volk ontwaakt 29 juni 1912
Noël De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.

© SABAM