dinsdag 17 februari 2009

Mirakels te Poperinge

Onze Lieve Vrouw van St.-Jan te Poperinge

De kerk van St.-Jan te Poperinge, bezit een miraculeus beeld welk onder de naam van O.L.V. van St.-Jan vereerd wordt. Het beeld, uit eiken hout vervaardigd is met zekere kunstsmaak gebeiteld in zijn bovengedeelte, terwijl het benedendeel onaangeroerd gebleven is, zoals vele oude Lieve Vrouwbeelden bekleed zijn. Het beeld werd waarschijnlijk bevrocht ter gelegenheid van het opbouwen van St.-Janskerke, die men voltooide omstreeks 1301. Het beeld van O.L.V. van St.-Jan begon als miraculeus aanschouwd en vereerd te worden, om het volgende feit, welk wij hier uit goede bron aanhalen:

'In de Bruggestraat, te Poperinge, tegen het kerkhof van St.-Jan, ooit door Joseph II, in 1784 gedempt, woonden twee godvrezende personen door de echt verbonden. Het waren Rassoen Vanhove en Jakemyne Bayaert. God zegende hun huwelijk en verleende aan hen een zoon. Ongelukkig kwam het kind dood ter wereld. Niets kon de weedom verzachten die de ouders hen trof, omdat hun zoontje, ongedoopt de aarde ontweken en van het hemelse geluk beroofd was. Het werd in een schrijntje gelegd en in de hof van zijn vader begraven. Vader en moeder onderwierpen hen aan de beproeving door God overgezonden.

Doch hun geloof dat levendig en standvastig was, streed tegen het noodlot welk hun zo onvoorziens en zo wreed overvallen had. Zij waren er hartig van overtuigd dat het wichtje zou herleven. De godvruchtige moeder bad vurig O.L.V. van St.-Jan aan, de christen vader smeekte haar eveneens met alle vurigheid aan. Jakemyne wilde haar kind doen ontgraven, met de gedachte dat het zou leven. Hij openbaarde haar vurige begeerte en haar onwankelbare betrouwen aan een deugdzame dochter, Pieternelle Turlin genaamd, die haar gans Maria toegewijd had in het beleven van de maagdelijke staat. Deze vierde het geloof der ouders aan door haar smeekbeden en deftige opwekkingen. Zij deed een belofte aan O.L.V. indien het kind mocht herleven.

Vier dagen na het afsterven van het wichtje, op de vroege morgen van 14 maart 1479, begaf Pieternelle naar de hof. Zij ontgraafde het schrijntje, opende het en o wonder! Het doodgeboren kind gaf tekenen van leven. Het opende zijn ogen, zijn lippen tekenden roodkleurig en het strekte zijn armpjes uit naar zijn ouders, die weenden van aandoening en vreugde. Het werd naar de kerk gedragen en op het autaar neergelegd aan de voet van het Mariabeeld, waar het een uur lang vertoefde, onmisbare tekenen van leven gaf.

Al vlug verspreidde zich het nieuws in de omgeving van het wonder. Een ontelbare menigte zakte af naar de kerk. Diederik Roen, de kapelaan van St.-Jan, omringd door een groot aantal notabele personen die volgens de gewoonte van die tijd het ambt van peter en meter uitoefenden, bediende aan het verrezen kind het H. Doopsel, onder de naam van Jacobus. Van de erfschuld gewassen droeg men de kleine Jacobus naar huis, waar hij nog gedurende een uur, bakelend bij de haard in leven bleef. Het lijkje van het wonderkind ligt aan de voet van Maria's autaar in St.-Janskerk begraven. Op het graf plaatste men een marmeren zerk, met daarop het opschrift van het korte verhaal hierboven vermeld'.

Door de eerwaarde proost van Poperinge, Jacobus Duval, handelende namens de abt van St. Bertinsklooster te St.-Omaars en door de heren van de magistraat der stede, werd de zaak aan de kerkelijke overheid onderworpen. Poperinge stond in die tijd onder het bisdom van Terouanen of Terenburg.

Jan Monyssaert, vicaris-generaal, die door vergunning van Paus Sixtus IV, het bisdom bestuurde, in afwezigheid van kerkvoogd Hendrik van Lorreinen die tezelfdertijd bisschop was van Metz, kwam ten einde onderzoek doen te Poperinge. Hij was vergezeld van vier andere geleerde heren waarbij hen kwamen voegen, Zijne Hoogwaardigheid de bisschop van Julia, de proost van St.-Maartens van Ieper en deze van Voormezele. Zevendertig personen, godsgeleerden, heelmeesters en rechtsgeleerden werden na gezworen eed onderhoord. Het wonder werd in al zijn nauwkeurigheid onderzocht.

In een omstandig geschrift, genoemd de bullen van het mirakel, verklaard de grootvicaris dat de opstanding van het doodgeboren kind als miraculeus en bovennatuurlijk moet aanschouwd worden en door het aanroepen der hulpe Gods en zijne glorieuze moeder de Maagd Maria geschied is. Hij staat toe ter ere van O.L.V. van St.-Jan de zondag na de feestdag Hare Visitatie(feestag op 2 juli ter herinnering van Maria's bezoek bij Elisabeth) door een solemnele processie te vieren. Op die zondag volgde weldra, ter verering van Maria, een octave tijdens welke komt, zo men het noemt, de donkere Ommegang, dat is: 'de plechtige ommedraging van het miraculeuze beeld langs de gewone processieweg, geschiedende tegen de avond van de zaterdag der octave'.

Aan die openbare verering nemen er jaarlijks duizenden bedevaarders deel, die uit de omstreken van Poperinge en bijzonderlijk uit Frans-Vlaanderen afkomstig waren. Uit de processie door de grootvicaris ingericht sproot de Ommegang ter ere van O.L.V. welke door mensen van alle rang en staat dagelijks gegaan wordt en met een aflaat door de Heilige Stoel bevoordeeld is.

Menigvuldig zijn de weldaden die tijdens de loop van de vier eeuwen, door het mirakelbeeld verworven werden. Onder de veelvuldige uitwerkselen van Maria's bijstand kiezen wij er één:

' Op 16 juni 1675, Joannes Bartholomeus Roens, een Poperingse handelaar en rechtsgeleerde, bevond zich te scheep tussen Sluis en Vlissingen. Het schip gleed op een zandbank, de peerdenmarkt genoemd, waar het dreigde met muis en man te vergaan. De stuurman gaf het op en waande alle hoop op redding verloren. Roens in deze akelige toestand, smeekte God door O.L.V. van St.-Jan. Opeens als bij toverslag, had het schip zonder dat iemand het bemerkte alle gevaar ontweken.

Uit erkentenis tot Maria, beschreef Roens, die een dichter was, het mirakel van het verrezen kindenken in Latijnse heldenverzen. Het wonder werd insgelijks omstreeks diezelfde tijd in de Vlaamse poëzie beschreven door Eerwaarde heer Petrus Wenis in zijn geestelijke nachtegaal ter ere van O.L.V. van St.-Jan zingende. Maria, in haar wonderbeeld vereerd, was in alle buitengewone noodwendigheden de beschermster van de stad en omliggende gewesten. In de tijd van de pest (1490,1626 en 1645) de rode loop (1750) of andere smet- of gevaarlijke ziekten, in gevaar van vernielende overstromingen (1727,1774 en 1824), was het tot Haar dat men om hulp en verlossing smeekte.

Als Godsdienst en vaderland bedreigd waren, zoals in de Geuzentijd der XVIe eeuw, of onder de regering van Keizer-Koster, of tijdens het schrikbewind der Franse omwenteling, ter ere van Maria deed men openbare ommegangen, boete- en dankprocessies. Zo zagen wij tijdens de oorlog van 1870, ontelbare drommen van bedevaarders uit Frans-Vlaanderen toestromen en later dankbaar terugkeren, om te betuigen dat Maria hun haardsteden en bloedverwanten op een buitengewone wijze beschermd of bewaard had.

Hoe dikwijls ook ondervond de Poperingse landbouwer niet dat een openbare ommegang ter ere van O.L.V. van St.-Jan gedaan een overvloedige zegen over zijn akkers trekt en de kostbare hommel op zijn velden vermenigvuldigt. Daarom al hielden de Poperingenaren gedurig hun Mariabeeld in ere en begiftigden het met kostelijke edelgesteenten en offeranden. Daarom vrijwaarden en verdoken zij het, met angstige zorg, tijdens de beeldstormerij der Geuzen en de invallen van de Franse muitelingen.

Om deze reden vierden ze met buitengewone godsvrucht en luister de honderdjarige jubelfeesten van 1680 in welke de Rederijkamer der Victorijnen en de studenten der Latijnse paterschool het drama van het mirakel opvoerden, van 1778 in welke jubelfeest zeven rijkversierde praalwagens de processie opluisterden, van 1879 nog in het geheugen van duizenden bedevaarders bewaart.

Te verwonderen is het dan ook niet dat laatstemaal, tijdens het octave van O.L.V. van St.-Jan ontelbare volkschare toestroomden, om neer te knielen voor het prachtig versierde mirakelbeeld en met de rozenhoed in de hand de godvruchtige ommegang rond de straten der stad te voltrekken, getuigende zo het betrouwen op haar in duizenden harten nog levende is en aan vele beproefde zielen en kranke lichamen voortdurend milde troost, zoete leniging en volledige genezing schenkend'.

Bron:
Gazette van Brugge, maandag 21 juli 1884.
Noël De Mey
©Sabam 2008

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen