zondag 1 februari 2009

Brussels Natiepaleis verwoest in 1883


Laatste update: 27-10-2013


Geweldige brand in 1883 herleid het Brusselse Natiepaleis tot puin

Foto: (Londen Illustrated 15 december 1883)

Brand Brussels natiepaleis 1883 (foto Londen Illustrated 15-12-1883)Op donderdag 29 november 1883, brak brand uit aan het plafond in het Natiepaleis te Brussel. Het plafond werd door 'Sun-Burners' verlichting voorzien. Men wist dat de gastoestellen een grote hitte verspreiden. Zo heeft het vuur de kans gehad zich sneller te doen verspreiden.

Uit het officieel onderzoek zou later blijken dat de brand van de Kamer moest worden toegeschreven aan een barst die ontstaan was van een gasbuis aan de sun-burners. Die buis, was gebarsten ten gevolge van de koude en waarbij een aanzienlijke hoeveelheid gas, ontsnapte. De zitting in de Kamer werd daardoor onderbroken. Ondanks de vlugge hulp dat toekwam, verspreidde brand zich met een verschrikkelijke snelheid. Ziehier, het verhaal dat zo nauwkeurig mogelijk zal worden weergegeven:

Joseph Jules Descamps 1820-1892
Joseph Jules Descamps
1820-1892
 'Het was 17u20 toen dhr. Tournay aan het woord was voor een ondervraging er een kreet geslaakt werd van op de tribune van de dagbladschrijvers: Vuur! Weergalmde. De voorzitter van de Kamer, meende dat het een spotternij was en beval de onderbreker om te zwijgen, maar kort daarop brak en dikke rook los in de tribune.
Voorzichtigheidshalve werd de zitting geschorst door Joseph Jules Descamps (1820-1892). Niemand van de afgevaardigden geloofde op dat moment aan een brand.

Na enige stonden moest men er echter wel aan geloven, want men zag de vlammen door de kroon, die boven het plafond staat, opstijgen. De pompiers werden spoedig gewaarschuwd en kwamen op korte ogenblikken daarna toe, maar hadden alle moeite, om in het doolhof met de algemene wanorde die er heerste, de weg te vinden, naar de kroon waaruit de vlammen kwamen. Als men de kroon eindelijk gevonden had, die een kolossale lantaarn boven het gebouw vormt, werden hun lansen in gereedheid gebracht. Tot overmaat van ramp kreeg men geen water door de lansen, omwille van te weinig druk, ten gevolge van de hoogte van de plaats boven de watertoren van Elsene.

Men kon zien hoe het vuur ontstaan was. Het gas van de ventilator heeft de zoldering in brand gestoken, die in lichterlaaie stond. Van tijd tot tijd stijgt een grote vlam boven het plafond uit en gaat de sun-burners likken. Om 18u00 stond langs de kant van het Park, geheel het gebouw achter de voorgevel in brand en het Ministerie van Buitenlandse Zaken vatte vuur. De vlammen stegen meer dan 20 meter boven het Natiepaleis op. Van het benedendeel van de stad was het schouwspel oprecht aangrijpend. De bedienden verhuisden de schilderijen, bronzen en kostbare voorwerpen naar de lokalen van de Kunstkring. Ondertussen kwam er nog steeds brandhulp toe, maar de opstelling liet de wensen over.

De stoombrandspuit van Brussel die vanaf het begin van de brand gevraagd werd, arriveerde pas om 18u00. Enige ogenblikken nadien, kwam deze van Anderlecht-Kuregem aan, die pas om 17u30 gevraagd werd. Die twee machtige pompen, putten hun water uit het meer van het Park en spuiten het op de daken van de Kamer, de Senaat en de naburige Ministeries. Indien de eerste spuit op tijd was geweest, had men alles kunnen redden. Nu was het te laat voor de Kamer! Al wat men nog, was het vuur omschrijven en het Ministerie van Buitenlandse zaken redden, waar de meubelen en archieven reeds verwijderd waren.

Om 18u15 valt de zoldering van het lokaal de Kamer naar beneden en is de bibliotheek verloren! Al de troepen zijn opgeroepen, alsook de pompiers van Brussel en omliggende gemeenten. De volksmassa is onafzienbaar. Een kwartier later, is de brand een onmetelijke vuurzee en breidt zich uit langs de kant van de Senaat. Nog om 18u30 slaagt men erin om het vuur een halt toe te roepen. Het Senaatsgebouw bleek gered te zijn.

Om 19u00, hoorde men steeds verschrikkelijke slagen, gevolgd door het opstijgen van enorme hoge rookkolommen. Het zijn de gloeiende balken die op de grond neerploffen, de vlammen doen uiteenspatten en het vuur op die manier aanwakkeren. Een uur later was de vuurgloed nog altijd even verschrikkelijk, maar raakt omsloten in de Kamer van Volksvertegenwoordigers en breidt niet meer uit. Op dat ogenblik spreekt men over ongelukken die gebeurd zijn. Pompiers zouden in het Ministerie van Buitenlandse Zaken binnengedrongen zijn, om de brand van langs daar te benaderen, maar zouden meegesleurd zijn in de stroom van gloed, vuur en puin. Een rilling gaat door de menigte.

Het wordt 21u00, wanneer men de ijselijke tijding van de verscheidene doden in twijfel wordt getrokken. Het vuur neemt zichtbaar af, maar kan nog verder smeulen. De pompiers zullen er de nacht moeten doorbrengen. De inlichtingen komen binnen over de persoonlijke ongevallen. Luitenant Bicheroux der pompiers, werd aan de hand gekwetst, bij het inslaan van een ruit, om de bediende die instaat voor de gasregeling, de genaamde Daekers te redden. Hij was de gaskraan gaan dichtdraaien en werd verrast door twee neervallende balken, waaronder hij schier verpletterd werd. Men heeft hem er uit kunnen halen. Men had gezegd dat hij dood was, dit was onjuist!



Eugène Goblet d'Alviella 1849-1925
Eugène Goblet d'Alviella (1849-1925)
Eugène Goblet d'Alviella (1846-1925) heeft groot gevaar gelopen door terug naar binnen te gaan, om een geschreven diskoers terug te halen. Op het ogenblik dat hij de zaal binnen wou gaan naar zijn lessenaar waar de geschreven stukken oplagen, stortte het plafond in. Bijzondere onderscheidingen waren voor heren Castan en Reding, die onder hun leiding de portretten der Kamervoorzitters en het oorspronkelijke handschrift der Grondwet van 1831 hebben kunnen redden.

Een pompier verbrand omstreeks 23u30 zijn rechterkant van zijn gezicht en rechterhand. Het gerucht doet zijn ronde dat er een soldaat die meegeholpen heeft bij het redden van de schilderijen, onder het puin bedolven ligt. Niet een boek van de bibliotheek is kunnen gered worden. De medailles echter werden in verzekerde bewaring gebracht. Rond middernacht ziet men nog van langs de kant der Oranjestraat, de vensters en luiken branden, maar dit vuur mag als uitgedoofd beschouwd worden'.

Wat er eigenlijk nog door de brand werd gespaard in het gebouw van de Kamer was: het kabinet van de oppergriffier, het bureel van de rentmeester en de kas. De voorgevel van het Paleis der Natie had bijna niets geleden, alleen de vensters waren vernield.

Meer bijzonderheden

Men kreeg meer zicht op wat was gebeurd en constateert dat het vuur reeds om 14u30 tot ontwikkeling moet zijn gekomen, wat uitlegt hoe de brand zulke snelle uitbreiding heeft genomen.Het was reeds een half uur aan het branden in de zoldering vooraleer men het in de Kamer van Volksvertegenwoordigers gewaar werd.

Een mecanicien in dienst, was voortdurend bezig boven de vergaderzaal met planken los te rukken en weg te werpen.Hij probeerde toen al de brand te blussen. Al de schilderijen van waarde werden uit hun kaders gesneden en konden op die manier worden gered. Ook een groot deel van de archieven en de bijzonderlijk archieven der consulaten en van de handel werden in veiligheid gebracht.

De stoomspuit van Antwerpen stond vertrekkensklaar, maar werd uiteindelijk niet meer ter plaatse gevraagd.

De leden van de Kamer der Volksvertegenwoordigers moesten voorlopig zetelen in het lokaal van de Senaat.

In de gangen waren een grote hoeveelheid kleine spuiten en waterpompen naar boven toe ongebruikt gebleven.

De ijkmaten van de meter en het kilogram, die krachtens de wet, neergelegd waren op de griffie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, werden na de brand van het Paleis der Natie, onbeschadigd teruggevonden.

Aan de voet van het standbeeld van koning Leopold I, in de zittingszaal, werd de pince-nez ( bril zonder monteur, knijpbril) teruggevonden van Kamervoorzitter Descamps. De voorzitter scheen zeer gelukkig te zijn met deze vondst. Alleen zijn glazen waren gebarsten.

Voegen we eraan toe dat het gebouw en zijn inboedel niet verzekerd was. Het gouvernement is zijn eigen verzekeraar. Het verlies valt dus op het land.

Wat de houding van het publiek betrof, het juichte het grootse schouwspel toe!
Het onderzoek nopens de brand in de Kamer, zou op niets uitdraaien. Was Waher op zijn post geweest, zou het onheil misschien niet plaats gegrepen hebben. Men kon er nog mee spotten en zeggen: 'Washer was er niet en wasser (water) was er ook niet. Maar vuur genoeg'!

De Kamer kwam voor acht dagen niet bijeen en zou dan naar alle waarschijnlijkheid zijn zittingen houden in het Hertogelijk Paleis.



Hendrik Beyaert 1823-1894
Hendrik Beyaert afgebeeld op een oud
Belgisch bankbiljet van 100 Frank
Bouwmeester Hendrik Beyaert (1823-1894) uit Brussel, werd door het Ministerie gelast met het opmaken der plannen voor de herbouwing van de Kamer. Vervolgens schreef men dat het Paleis der Natie volgens de oude plannen zou herbouwd worden, maar dat de zittingszaal een weinig vergroot zou worden.De gerechtelijke politiediensten van Brussel hoofdstad, heeft toen heel wat personen doen aanhouden, die van de gelegenheid gebruik hadden gemaakt, om in de puinhoop, waardevolle voorwerpen gestolen te hebben.

Het paleis der Natie werd gebouwd door de Raad van Brabant in 1779 tot 1783, volgens de plannen van Guimard. Het half verheven beeldwerk was van tympaan ( driehoekig bovenstuk van de voor-en achtergevel, beneden afgesloten door het horizontale balkwerk, dat op de zuilen rust, terwijl de openstaande zijden gevormd worden door de randen van het dak ) gemaakt door Godecharle. Het peristiel (zuilengang die een ruimte rondom afsluit) is van Dorische (Dorische zuil, zonder voetstuk met een eenvoudig kapiteel ) bouwtrant en bevat verschillende beelden. De trappen in rood marmer van Beaumont. Op de eerste verdieping bevonden zich de historische schilderijen.

Bibliotheek

Iedereen die de inwendige installering gezien heeft, was akkoord om te zeggen dat de bibliotheek had kunnen gered worden, indien de hulp op tijd gekomen was. Ook was de bibliotheek van de Kamer niet rijk in kostbare geschriften, noch in zeldzame boeken. De bibliotheek van de Kamer was vooral belangrijk ten opzichte van de Belgische en vreemde parlementaire documenten. Wat vooral de grote waarde ervan uitmaakte, was haar verzameling werken en tijdschriften over de studie der rechtsleer, geschiedenis, staatshuishoudkunde en vreemde wetgevingen. Deze verzameling was zo volledig en verscheiden, dat geen enkele bibliotheek van Europa iets dergelijks bezat.

Deze verzamelingen kunnen echter terug worden samengesteld met de tijd en....veel geld. Doch volgens een bevoegde persoon, zal tijd er meer nodig zijn dan het geld, want er zal niet minder dan tien jaar nodig zijn om deze ramp volledig te kunnen herstellen. De bibliotheek van de Kamer bevatte in totaal 125.000 boekdelen. Een verzameling die onmogelijk kon worden vervangen, was deze van al de dagbladen, verschenen tijdens de eerste Franse Revolutie.

Men denkt van de vreemde gouvernementen nieuwe verzamelingen te krijgen van de besprekingen en documenten der buitenlandse Kamers. Van het Engels gouvernement had men reeds de verzekering gegeven een gehele verzameling toe te sturen, die meer dan 4.000 boekdelen in folio telt van de States-papers. Deze 4.000 boekdelen bestonden in de afgebrande bibliotheek. Ook het Frans gouvernement die door deze brandramp ingenomen was, heeft aan ons gouvernement toen, al verschillende documenten aangeboden over de inrichtingen der verschillende Europese parlementen. Geschat werd dat voor de herinrichting van de bibliotheek van het Natiepaleis, 300.000 fr. zal nodig zijn.

De Grondwet


Koning Leopold I (1790-1868)
Koning Leopold I (1970-1868)
Eerste koning der Belgen
De Grondwet is waarlijk verbrand; het was een handschrift op perkament. Men heeft enkel het prachtige boek kunnen redden, waarin de stemmingen aangetekend zijn, met hun beweegredenen en de handtekeningen der leden van het congres voor de verkiezing van Leopold I van Saksen-Coburg (1790-1868), tot koning der Belgen.

Van de vier vrijheden, in de voorzaal der Kamer, waren er drie verminkt. De vrijheid van onderwijs had zijn rechterarm verloren; de vrijheid van erediensten, verloor twee armen; aan de vrijheid van vereniging, ontbraken er vier vingers. De vrijheid van drukpers, was enkel zwart geworden. Welnu, schreef men: 'die wezenlijke vrijheden in België, zien er niet beter uit dan die beelden'!


Kunststukken verbrand

Beeldhouwer François Rude 1784-1855
François Rude 1784-1855
Men zegt dat er geen enkel belangrijk kunstwerk door de brand van het Paleis der Natie vernield was, omdat de portretten der voorzitters en enige andere doeken, die slechts van middelmatige waarde waren, gered zijn geweest. Een serie prachtige beeldhouwwerken die men vergat te bewonderen, omdat men gewoon was ze te zien, is totaal verloren gegaan.



Koning Willem I (1772-1843)
Willem I, 1772-1843
Het waren vooral werken van de Franse beeldhouwer François Rude (1784-1855), die vernield zijn. Beeldhouwer Rude, was de vervaardiger van de prachtige marmeren schouw van de leeszaal en van het borstbeeld van koning Willem I (1772-1843). Al wat deze beeldbouwkundige in België vervaardigd had, is verdwenen.


Ministerraad

Op vrijdag 7 december 1883, om 14u00 heeft dan een ministerraad plaatsgehad, dat door de voorzitter van de Kamer werd bijgewoond. Daar werden toen volgende beslissingen genomen: "De Kamer der Volksvertegenwoordigers kwam op dinsdag 11 december 1883, bijeen in de zittingszaal van de Senaat, om zo spoedig mogelijk het onderzoek van het budget te beginnen. Stoelen moesten worden bijgeplaatst, daar er in de Senaat maar plaats was voor 69 zetels en er 138 Volksvertegenwoordigers waren".
Ondertussen zou men in het Paleis van Schone Kunsten een herinrichting doen, om de zittingen daar te kunnen houden. Eventjes werd gedacht aan het Paleis van de academie, doch deze zaal was te klein en men kon er geen tribune inrichten.


Charles Roegier 1800-1885, patriot van 1830
Om 16u15 bezocht Charles Rogier (1800-1885), met zijn dienstknecht het puin, maar werd er op gewezen dat dit een gevaarlijke onderneming was. 'Laat mij maar, ik wil mij rekening geven van de ramp': antwoordde hij. Wanneer hij de plaats verliet, wendde hij zich tot de personen die hem omringden en zei: ''t Is afgrijselijk, mijn Heren, arme Kamer'!

Ook gewezen Kamervoorzitter Jules Louis Guillery (1824-1902), kwam de donderdagavond omstreeks 19u00, tijdens de brand, naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij kon het niet maken dat alles zo op een eerloze manier werd vernietigd. Dat er een gebrek was aan water, was voor hem geen reden, om alles te laten verbranden.

Ze moesten maar zorgen dat er water was. Justitieminister Jules Bara (1835-1900), die naar de plaats wilde gaan van de ramp, werd door een reusachtige gendarm tegengehouden en zei:'on ne passe pas'. Wanneer hij de gendarme erop wees dat hij de Minister van Justitie was, liet men hem door. Het gebeurde ook niet alle dagen, dat de Minister van Justitie werd tegengehouden door een gendarme.

Tegenstrijdige berichten

De tegenstrijdige geruchten worden voortdurend in omloop gebracht over het aantal slachtoffers van de brand. Ziehier, wat men vernomen had: " Karel Vandenhoge, pompier, werd naar het hospitaal gebracht tijdens de nablussingswerken. Hij lag op de openbare weg, nabij het Paleis. Niettegenstaande zijn verwondingen aan het hoofd, rechtervoet en de handen, kon hij zich nog voortslepen tot aan de Leuvensestraat.

Pompiers: Prosper Feny, Prosper Mansy en Pieter Meys, werden eveneens ter verzorging opgenomen. Alle vier de pompiers liepen erge brandwonden op door het neervallen van het puin.

Verder nog volgende pompiers: L. Pranqui, Michel Margots, G. Rabin en H. Desmet werd naar het St.-Pietersgasthuis gebracht. De toestand van pompier Rabin was zorgwekkend. Voor de andere pompiers was hun toestand bevredigend.

Vervolgens lagen er tien pompiers te bed in hun kazerne der Blaestraat, omwille van de kneuzingen en hoge koorts, maar buiten dit was er voor geen gevaar.

Slechts één soldaat werd naar het militaire hospitaal overgebracht. Het Was de telegrafist Delcuve, die verstikkingsverschijnselen had. Hij was de dag nadien hersteld en zou het hospitaal spoedig kunnen verlaten. Latere berichten spraken dan weer over een veldtelegrafist Désiré Deleure, die in bezwijming was gevallen, nadat hij van een ladder gevallen was. Wanneer hij terug bij bewust gekomen was, kon hij zich niets meer herinneren, wat er tijdens de brand had voorgedaan.

Op zondag 9 december 1883, werd de verdwijning besproken van de bediende Jan Baptist Mat, die werkzaam was bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken en normaal woonachtig was bij zijn zuster in de Boendaalschensteenweg nr. 227. De man werd teruggevonden.

Begrafenisplechtigheid van de sergeant-fourrier Raguet

Onder het puin op de plaats van de middenpoort van het Paleis, werd het lijk ontdekt die afgrijselijk verminkt was van de 23-jarige sergeant-fourrier der grenadiers Raguet. Geheel het regiment der grenadiers met het muziek aan het hoofd, heeft aan de begrafenisplechtigheid deelgenomen. Nooit zag men zoveel volk bijeen. Alle klassen der samenleving, bewezen een passende hulde ter nagedachtenis van de overleden foerier.

In het ziekenhuis was alles zeer eenvoudig opgesteld. Vier kaarsen omringden de kist en bad de aalmoezenier in zijn koorkleed. Toen de kist werd opgenomen, sprak kolonel baron van Rode, omringd door zijn officieren, een korte maar treffende lijkrede uit. Ook vijf onderofficieren brachten hun woord van vaarwel aan hun overleden kameraad. Vele personen konden hun tranen niet bedwingen en lieten ze de vrije loop.

De dienst had plaats in de Miniemenkerk en werd gezongen door de pastoor der parochie. In de dienst zag men volgende hooggeplaatste heren: Walthère Frère -Orban (1812-1896), Jules Bara (1835-1900), Pierre Van Humbeeck (1829-1890), Guillaume Gratry (1822-1885), Gustave Rolin (1835-1902) , Joseph Descamps (1820-1892), Auguste Pierre Couvreur (1827-1894), Gustave Washer (1835-1912), Alphonse Nothomb (1817-1898), Théophile de Lantsheere (1833-1918), de Saedeleer (1852-1924), Henri Bockstael (1833-1898), Victor Arnould (1838-1894), Goblet d'Alviella (1849-1925), Dewinter (?), Gustave Jottrand (1830-1906), burgemeester Karel Buls (1837-1914) ( met zijn gemeentebestuur, gouverneur Theodore Heyvaert (1834-1907) en officieren van alle rangen.

Na de dienst werd het lijk naar Evere overgebracht, onder begeleiding van het muziek der grenadiers, die de dodenmarsen speelden. Aan de lijkwagen hingen er wel twintig rouwkransen. Zijn vader en broers van de overledene vergezelden de stoet en weenden smartelijk. Het publiek dat zeer aangedaan was, groetten op emotionele wijze zeer eerbiedig toen men de trouwe dienaar naar zijn laatste rustplaats bracht.

Begrafenisplechtigheid van gaswerker Michiel Daekers

Joannes Daekers, de stadgaswerker, werd gekwetst op de plaats onder de zuilengalerij. Toen men hem gevonden had, werd hij naar het St.-Jans-gasthuis overgebracht, waar hij op 7 december 1883, na een lange en pijnlijke doodstrijd tegen de brandwonden, daags na de verschrikkelijke brandramp overleed. Zijn lichaam was wanneer men hem gevonden had, niets anders meer dan een vormeloze klomp vlees. Hij werd geboren in 1845 te St.-Joost-ten-Noode, liet een weduwe en drie kinderen achter.

Zijn begrafenisplechtigheid was prachtig, door de toeloop van de overheden die zij bijwoonden, treffend en indrukwekkend door het overgrote aantal aanwezigen, dat de stoffelijke overblijfselen van de ongelukkige gaswerker kwamen groeten en hem tot aan zijn laatste rustplaats vergezelden. Er was geen enkele aanwezige, dat zich niet aangedaan voelde van ontroering, wanneer het lijk werd voorbijgedragen. De dienst heeft plaatsgehad op zondag 9 december 1883.

De gezellen van Daekers met aan het hoofd ingenieur Wybo, waren bijeengekomen in een herberg op de Koolmarkt, om zich dan naar de stoet te begeven. Daar bevonden zich vóór het ziekenhuis, een ontelbare menigte, waaronder: het korps sappeurspompiers van Brussel met hun muziek, een detachement pompiers van Cureghem, St.-Gilles en deze van St.-Jans-Molenbeek. Op de binnenplaats van het ziekenhuis hadden de gaswerkers zich in een lange rij naast elkaar geplaatst, rechtover de kapel waar zich de lijkbaar bevond en waar de overheden plaats hadden genomen. Op de katafalk, verlicht door vier grote kaarsen, was e lijkbaar geplaatst, die letterlijk bedolven lag onder de veelvuldige rouwkransen van zowel de Kamer en Senaat, het gemeentebestuur van Brussel, van de verschillende pompierkorpsen, van vrienden en de gezellen van de overledene, .......

De deurwaarders van de Kamer en Senaat en enkele gaswerkers droegen de lijkkist tot aan de kerk van St.-Joost-ten-Noode. De econoom der Kamer, dhr. Bruyninckx begeleidde de overheden binnen. Men kon niet geloven hoeveel overheden er aanwezig waren. Er waren er meer te zien dan op sommige lijkdiensten van grote mannen. Er waren drie ministers aanwezig: Jules Bara, Gustave Rolin en Pierre Van Humbeeck. Langs Senatorszijde waren deze: quaestor, Devadder; Pigeolot; Piron; Vanderton, de Haussy en griffier Warnant. Voor de Kamer waren volgende volksvertegenwoordigers aanwezig: Joseph Descamps, Couvreur, Bockstael, Sabatier, Verbrugghe, Washer, Jacobs, Alphonse Nothomb, Théophile de Lantsheere, Féron, Bergé, Robert, Demeur, Goblet d'Alviella, Gustave Jottrand, Arnould, Van Hoorde, De Saedeleer, Vanderkinderen, de Vrints en kanunnik de Haerne en de griffiers Huyttens (vader en zoon). Vervolgens waren de provinciegouverneur Heyvaert, generaal Stoefs, burgemeester Karel Buls met al zijn schepenen en zijn gemeenteraadsleden aanwezig evenals een aanzienlijk aantal andere hooggeplaatste personaliteiten.

De godsdienstige plechtigheid was indrukwekkend, doch duurde niet lang. De lijkdienst werd door drie priesters gedaan; zodra ze beëindigd was hebben de deurwaarders der Kamer het lijk gedragen tot aan de dorpel van de kerk, waar burgemeester Buls de volgende lijkrede uitsprak:

'Waarom bevinden wij ons hier zo talrijk rond dit lijk, waarom deze medewerking van de overheden, dit escort, deze plechtigheid? Is er kwestie van een der aarde, die met eer beladen is, naar zijne laatste rustplaats te vergezellen? Neen, het is een nederige werkman die daar rust en allen bewogen tot in het diepste onzer harten, buigen wij met eerbied voor dit lijk, want wij vereren in hem de held gevallen op het veld van eer, voor het vervullen zijner plicht. Met zich te midden der vlammen te begeven, had hij noch glorie, noch beloning te verwachten. Een enkel gedacht kon hem slechts voortdrijven en zijn zending vervullen. Hij heeft het gedaan en vandaag ontbreekt een vader in het huisgezin waar iedere avond de omhelzingen van zijn kinderen hem moed gaven voor de zware arbeid van de volgende dag. Hun kleine armpjes zullen hem tevergeefs zoeken en niet meer ontmoeten dan een wenende moeder.

Het noodlot is wreed voor de kleinen, voor de werklieden, welke de samenleving aldus hen zendt naar de voorposten van het gevaar. Met welke angst moeten zij op het ogenblik dat de ramp hen treft, op hun vrouwen, op hun kinderen niet denken. Hoe dat zij blootgesteld zijn aan de koude en honger. Ditmaal kunnen wij zeggen:"Rust in vrede, eerlijke en moedige Michiel Daekers, uw zonen hebben niets te vrezen. Te rekenen van heden, heeft de stad in wier dienst u gestorven bent, uw kinderen aangenomen en later, wanneer zij de plechtigheid zullen begrijpen, welke uw begrafenis omringt, zullen zij met fierheid over hun ongelukkige vader spreken". Vaarwel, rust in vrede'.

Op dat ogenblik was de ontroering algemeen. Men hoorde bijna niets anders meer dan luid snikken der aanwezigen. Het was een treffend schouwspel. Op de binnenplaats toen de lijkbaar buiten kwam, werd zij door een dubbele haag van pompiers begroet, welke zij de wapens presenteerden, toen het lijk aan de grote poort kwam, die uitgang heeft op de 'Boulevard Botanique'. Daar bevond zich een ontzaglijke menigte, werden de trompetten geblazen en de detachementen bewezen een laatste eer. De muziek speelde een treurmars en iedereen ontblote het hoofd. De stoet zette zich in de volgorde orde in beweging:

De muziek der pompiers van Brussel;
Het detachement vrijwillige pompiers van Cureghem;
Het lijk, gedragen door deurwaarders en gaswerkers;
Een deputatie van gaswerkers;
De Ministers, de Senators, de Volksvertegenwoordigers, de gemeenteraad, de overheden,....;
De pompiers van Schaarbeek met muziek; •De pompiers van Molenbeek; •De hoeken van het baarkleed werden vastgehouden door burgemeester Buls, heren Demot, Washer en de Vrints; •Achter het lijk gingen een sergeant van de pompiers van Brussel en een sergeant van Cureghem die de kronen droegen.

Het was 15u00 wanneer de stoet in de kerk van St.-Joost-ten-Node aankwam. De versiering van de kerk was eenvoudig, doch indrukwekkend Zodra de godsdienstige plechtigheid gedaan was, heeft de officiële wereld zich verwijderd en het lijk werd door de werklieden, naar zijn laatste rustplaats gebracht. Op het kerkhof werden er twee redevoeringen uitgesproken.

Officieel Verslag

Dhr. Odilon Perier, die gelast was met de herziening tot aanmaak van een beknopt verslag, maakte aan de bestuurder van de 'Moniteur Belge' het volgende verhaal van de ramp over op 7 december 1883:

"Heer Bestuurder,

Ingevolge de wens door u uitgedrukt, haast ik mij u een kort verhaal te sturen van de voorvallen die plaats grepen in het Paleis der Natie, van af het ogenblik dat dhr. Voorzitter, gewaarschuwd door het geroep dat uit de tribune der dagbladschrijvers kwam, het nodig oordeelde de zitting te heffen. Het kon dan 16u45 zijn, een twintigtal leden waren aanwezig. Allen-en de functionarissen der Kamer met hen-begaven zich zodadelijk naar de leeszaal en de kleedkamer. Een honderdtal personen stonden op het gangpad van het Park, naar het vuur te kijken dat boven onze hoofden was uitgeborsten. Op dit ogenblik deed de voorzitter Descamps, de econoom van de Kamer dhr. Bruyninckx, roepen, maar deze was reeds op de kleine trap gelopen die naar de zolder leidt en worstelde tegen de rook. De Voorzitter ging zelf bevelen geven, om de redding in te richten.

Wij konden aan ons zelf geen juist gedacht vormen van wat er voorviel. Wij dachten dat er slechts kwestie was van een zeer onbeduidende beginbrand, dat geen aanleiding kon geven van een ramp. Wij keerden naar de vergaderzaal terug, waar wij aan de ingang bleven staan. Daar stonden heren: Olin, de Lantsheere, Nothomb, Couvreur, Goblet, Scailquin, Tournay, Tack, de Montblanc, De Bruyn, Gillieux,.... De lantaarn was nog slechts een overgrote vuurbal. Wij zagen in alle richtingen rond, maar ontwaarden nergens elders vlammen. Iemand zegde: de lantaarn zal invallen en alles zal gedaan zijn. Maar eensklaps aan het uiteinde van het plafond, boven de banken van de uiterste linkerzij, verscheen een vlam door een scheur. Deze werd groter en vuursprankels vielen er door. Wij vroegen water en men bracht er ons.

Wij sprongen met vieren vooruit: ‘snelschrijver Dattreux, twee huissiers (deurwaarder ) en ik-in de zaal, naar de kant van waar uit het plafond de vuursprankels vielen en gedurende meer dan 15 minuten, doofden wij, bij middel van zand en van alles wat wij voorhanden had het vuur uit, altijd in de hoop de zaal te redden’. Een pompier kwam ons in dat werk helpen en de brandende houtsprankels in een porseleinen zandbak oprapen. Het vertrouwen was zo groot dat, ten einde de meubelen niet te bederven, men ons van alle kanten gedurig toeriep geen water te gieten. Het gekraak in de lantaarn werd nochtans hevige. Men riep ons toe om ons te verwijderen. Langs de gang verwijderden we ons, maar vooraleer we voorgoed de zaal verlieten, namen wij elk een deel van de meubels mee die niet aan de grond waren vastgemaakt, de tafel der stenografen van het beknopte verslag en de herziening.

Dhr. Tournay klom op het bureel en verzamelde de papieren die er lagen. Terwijl hij daar stond, viel een kleine balk met onnoemlijk gedruis naast hem; Gans het plafond stond in vuur. Dan eerst verstonden wij de belangrijkheid van de ramp en begaven wij ons in de leeszaal, vast besloten met het vernielende element te worstelen voor het behoud van de kunstwerken, daar verzameld. Een der huissiers van de Kamer kreeg een gelukkige inval en ging naar de boekerij twee ladders halen, waaronder een dubbele. We grepen ze vast en de redding begon. Huissier Rassaert, hielp mij, om het portret van de voorzitter Guillery, tevens het laatste werk van de betreurde Dewinne, los te maken, geholpen door een derde persoon, wiens naam ik vergeten ben, zetten wij onze kostelijke last neer in de voorkamer, langs waar men in de salon der quaestuur (presidium van Kamer en Senaat ) komt.

De andere portretten volgden weldra. Wij gelukten er in gans deze bewonderenswaardige verzameling te redden. Wanneer ik zeg wij, wil ik hogergenoemde volksvertegenwoordigers aanduiden, de verschillende ambtenaars der Kamer en al de huissiers, hun opperhoofd dhr. Van Heerswynghels aan het hoofd. Op dit ogenblik waren er nog slechts enige personen in het gebouw, van buiten gekomen. Ik betreur het hun namen niet te kunnen opgeven, want allen zonder onderscheid gaven blijken van de grootste moed. Ik kon er slechts een noemen, dhr. Clepkens een ambtenaar bij het departement van Justitie, die een groot portret van de koning, in de voorkamer afnam en redde. Het was dan al half zes. Men kwam ons zeggen dat het vuur zich met een verbazende snelheid uitbreidde en tot de Senaat en de Ministeries oversloeg.

Schilderijen en kunstvoorwerpen had men in de vestibule geplaatst, links naast de grote trap. Het was nodig ze naar een veiliger plaats te brengen. Heren Olin, Goblet, Couvreur, Tack, de Montblanc, Tournay, Debruyn waren nog altijd ter plaatse. Allen werkten zonder ophouden en met hun medehulp en met behulp van de grenadiers, geleid door luitenant Van den Rogaert, gelukten wij erin al de schilderijen in het gebouw van de Moniteur te bergen! Zij zijn ongeschonden uit de Kamer gekomen dank aan de voorzorgen, gezonden door de regisseur Dauby.

Wij keerden naar de Kamer terug. Heren Goblet en gemeenteraadsheer Richald, hadden juist verschillende kostbare voorwerpen, onder andere een verzameling van medailles gered. Wij herinnerden ons dat in een der zalen van de sectiën, beneden een schilderij van waarde bevindt. Wij begaven ons in die plaats, maar het schilderij was te groot om door het venster of de deur te brengen. Wij raadpleegden de Minister van Openbare Werken, die de redding bestuurde van de kant van de Natieplaats. Hij liet ons toe het schilderij uit te snijden en onder bestuur van dhr. Bruyninckx, werd dit door de huissiers gedaan.

Dhr. Tournay, vergezeld van enige mannen, liep langs de trap van de dienst aan de kant van de salons van de voorzitter en met Goblet, Bruyninckx, Desmet en enige anderen, drongen wij onder de zuilengang, ten einde van daar de grote trap te bereiken, die naar de Senaat geleidt. Wij kwamen aan de eerste kolommen recht over de bijzonderste ingang, wanneer een schrikkelijk gekraak zich liet horen, en het plafond scheurde. Wij vluchten van alle kanten en wij gelukten er in, ons aan het gevaar te onttrekken. De ene ontkwamen langs de vensters, de andere door de deuren die op de Orangeriestraat uitgeven. Ik was van deze laatste met dhr. Goblet, Bruyninckx en Desmet. Buiten vonden wij dhr. Washer en waarom het niet gezegd? Bij het zien van al het puin en alle verwoesting, voelde de quaestor ( beheerder van de schatkist) der Kamer zijn hart ineen krimpen; hij weende!

Aanvaard, heer bestuurder, de uitdrukking mijner hoogachting. Getekend Odilon Pérrier"

Heropflakkering van de brand was er op zondag 9 december 1883, omstreeks 09u30. De plankenvloer onder de bibliotheekzaal was in brand geraakt. Rond 11u00 hervatte het vuur, op de tweede verdieping, links van de zaal der beraadslagingen van de Senaat. Iets voor de middag was alle gevaar geweken.

Kritieken aangaande de brand

De Burgemeester Karel Buls van Brussel had op zaterdag 8 december 1883, op een vergadering van de bestuurders der bijzonderste dagbladen van Brussel, betreffende de kritieken die gemaakt waren aangaande de brand van het Paleis der Natie, enige uitleg gegeven. De Brusselse pers, die felle kritieken ten overstaande van de pompierdienst had geuit, werden door de burgemeester Buls aanhoord en moest toegeven dat er fouten werden begaan.

De burgemeester zei op zijn beurt:'...van zodra ik wist welke de fouten waren, heb ik ook straffen uitgesproken en vervolgt verder: 'Ja onze pompierdiensten laten veel teveel te wensen over, maar ik hou eraan, dat ik nog maar pas twee jaar burgemeester ben. Vanaf het eerste jaar mijner indiensttreding heb ik al het mogelijke gedaan, om deze dienst her in te richten en te vervolledigen.

Zo werd door mij opdracht gegeven het ontwerp te laten bestuderen, om in de Wetstraat een post pompiers te installeren, die voorzien moest zijn, van het nodige materiaal in geval van brand. Ook werd gevraagd om het aantal paarden te verdubbelen die gebruikt werd voor de dienst der spuiten. Maar al de deze voorstellen en andere, werden niet aangenomen, om reden van bezuinigingen. Verscheidene raadsleden hebben toen geoordeeld dat zulks teveel kostte.

Wat de Portaladders betreft, die zeer moeilijk zijn, had ik besloten ze af te schaffen en ze te vervangen door ladders van een nieuw stelsel, die als veel beter aanzien werd, door de commandant Allo en de ingenieur de Cazenave, die naar Parijs gezonden werden, om de proefnemingen bij te wonen, van dit nieuwe ladderstelsel.

Na de grote ramp die ons kwam te treffen, hoop ik dat de tegenkantingen, welke ik tot hiertoe gehad heb, zich niet meer zullen voordoen. Ik ben voornemens in de gemeenteraad een voorstel neer te leggen, betreffende het instellen van een post pompiers aan het kwartier van O.L.Vrouw-ter-Sneeuw, in de buurt van het circus en het Eden-theater deze post zal bestaan uit een dienst van twintig personen en voorzien zijn van drie stoomspuiten. Het aantal paarden moet daarbij voldoende zijn, om de spuiten zo spoedig mogelijk naar de plaats van de brand te brengen.

Een woord nog: "Men heeft gezegd en geschreven dat, indien op bewuste donderdag de stoomspuit zoveel tijd nodig had om ter plaatse te komen, het de schuld van de paarden was, omdat zij niet gescherpt waren. Dit was onjuist de paarden stonden reeds al verschillende dagen klaar, maar de vertraging was te wijten daar de officier drie paarden had ingezet voor andere taken en er op het ogenblik van de verschrikkelijke ramp, er maar een over had voor de bediening van de stoomspuit, die eigenlijk door twee paarden dienden te worden getrokken.

Het zou onmogelijk zijn al de daden van moed en zelfopoffering te melden, die donderdagavond plaatsgehad hebben. Waarschijnlijk zal een officieel verslag verschijnen, waarin elkeen die zich onderscheiden heeft, zal bedankt worden".



Artikel over de brand van het Brussels Natiepaleis verschenen in de Gazette van Brugge van 8 december 1883
Gazette van Brugge van 08-12-1883


Bronnen:

Gazette van Brugge: zaterdag 8, maandag 10, woensdag 12, zaterdag 15, 24, 27 en 29 december 1883.
Noël De Mey
Foto's: wikipedia
©Sabam 2008

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen