dinsdag 27 januari 2009

De brandramp van de Sint-Salvatorskathedraal van Brugge in 1839

 Laatste update: 16-10-2015
De kathedraal, meermaals door brand getroffen


De Sint-Salvatorskathedraal in 1802
De Sint-Salvatorskathedraal in 1802. Tekening met aquarel, anoniem.
Ets hangt in de schatkamer van de kathedraal.

De St.-Salvatorskerk gaat terug tot het midden van de 9e eeuw, toen een bescheiden kerkje bij de nederzetting van Brugge gebouwd werd. Of het kerkje toen al een toren had is niet bekend. Er is een legende over de kathedraal die omstreeks het jaar 646 door de H. Eligius (588-660) gesticht werd en eerst volledig uit hout zou zijn opgetrokken. Daarvan is nu niets meer terug te vinden. Alleen enkele verteerde balken in de grond zouden nog daar nog op wijzen. De kathedraal is zo goed als zeker de oudste Brugse kerk. De oudste vermelding dateert van 988, als dochterkerk van Weinebrugge. Zij zou uiterlijk in 1089 het statuut van parochiekerk gekregen hebben. De kerk werd meermaals door brand getroffen. Op 24 april 1127 werd de kerk na een verwoestende brand in 1116 opnieuw gewijd en door een nieuw stenen bedehuis vervangen, Van het oud-romaanse gebouw bleef alleen de geveltoren bestaan. Bronnen vermelden verder dat de toren in 1163 zou zijn ingestort. In 1183 was het weer zover; de kerk brandde voor een tweede keer af.

De St.-Salvatorstoren wordt beschouwd als het oudste monument waarvoor het eerst baksteen werd verwerkt, maar bouwdeskundigen hebben lang in het ongewisse verkeerd om de verschillende onderdelen van de torenromp precies te dateren. Volgens sommigen kon de bouwgeschiedenis dan toch achterhaald worden.

Op 9 april 1358, andere bronnen spreken van 28 mei 1358, breekt voor een derde maal brand uit in de kerk. Die verwoesting was het gevolg van de onoplettendheid van loodgieters die in een nabije herberg iets waren gaan drinken en hun coffoiren met vier hadden laten staan in de gote. Zo ontstond de brand, die het schip en de toren volledig verwoestte. De beuken en een deel van het transept moesten eraan geloven Dat gedeelte moest opnieuw opgebouwd worden.


Schets van de twaalf Franse pairs, die omstreeks 1380 in het koorgedeelte werden geplaatst.
Schets van de twaalf Franse pairs, die als geschilderd vensterraam omstreeks
1380 in het (choor) koorgedeelte werden geplaatst. Linksonder merken we de
Hertog van Bourgondië op en de Graaf van Vlaanderen staat 3de van rechts.
Naar een litho van J. Petyt, Brugge

Tot aan de 15e eeuw werd aan de vernieuwing gewerkt. Dankzij de mildheid van de magistraat en de gelovigen werd de kerk weer opgebouwd, nog mooier en aantrekkelijker dan voordien. Dat dacht men tenminste, want vele archeologen zijn van mening dat in de loop der eeuwen meerdere malen geknoeid werd bij de wederopbouw na de branden die de kerk heeft moeten doorstaan.

Omstreeks 1566 is het bouwwerk voltooid, als de Geuzen een groot deel van de kerkelijke kunstschatten vernielen. En het is nog niet gedaan. Onder de Franse Revolutie wordt de kerk zelfs verkocht. Het is pas bij de feestelijke heropening van 21 januari 1801 dat de kerk weer in gebruik wordt genomen. Bij de heroprichting van het bisdom Brugge krijgt de Sint-Salvatorskerk de titel van kathedraal (1834).

St.-Salvatorskathedraal brandt

Het verhaal


Publieke aannemer en meester-loodgieter Charles de Wulf 1802-1896.
Charles de Wulf
1802-1896
De vierde brand breekt uit op 19 juli 1839. (Een herschreven bron spreekt van 10 juli 1839.) De brand is zo hevig dat hij de kathedraal om zo te zeggen helemaal in de as legt. Naar verluidt ontstond de brand bij loodgieterswerk aan de goten, waar men niet al te voorzichtig te werk was gegaan. Aannemer Charles de Wulf neemt de leiding. De toen 37-jarige Charles de Wulf nam meteen de leiding van het bluswerk. Hij werkte als loodgietersbaas aan de kathedraal en wist heel goed waarmee hij bezig was. Hij gaf bevelen aan iedereen en zelfs aan een patrouille van de stadswacht.

De brand was zo spectaculair, dat de hele bevolking hielp blussen. In de aanpalende straten vielen constant gensters, zodat men ook de daken van enkele woningen moest blussen. Men vreesde zelfs dat de brand naar andere delen van de binnenstad zou overslaan. Het gehele dak en de klokken van de kathedraal werden vernietigd. Veel kon worden gered, maar toch gingen heel wat kunstwerken verloren. Door zelf boven in de goot van het koor te helpen blussen slaagde De Wulf erin heel wat te redden. Vervolgens dichtte hij de gaten van de afvoerpijpen met graszoden en vodden zodat het overtollige water over de dakgoten stroomde en de muren konden afkoelen. Die bleven zo gevrijwaard.

De brand ontstond omstreeks kwart over twaalf. Het vuur raasde door de harde wind enorm snel voort, zodat in minder dan een half uur de toren en het kruisdak waren afgebrand. Niettegenstaande alle pogingen om de vuurhaard te overmeesteren is er enorm veel schade aan de hoofdkerk aangebracht. De hele bevolking was op de been om mee te blussen. In de straten aan de noordoostkant van de kathedraal zag men vele mensen op de daken, die verwoede pogingen ondernamen om die huizen te vrijwaren., Sommige daken begonnen zelfs al te branden.

De bewoners probeerden hun huisraad te redden of langs de zuidzijde in veiligheid te brengen. Na 6 uren was de brand onder controle en waren de aanpalende huizen gevrijwaard van schade. Het enorme eikenhouten dak boven de groten beuk, de helft der daken boven de zijbeuken, grote kapellen zijn den ‘roof der vlammen’ geworden. Alles wat zich in de toren bevond, is verslonden ‛by zoo verre’ dat er ‛maer vier mueren’ van overgebleven zijn. De vier grote klokken zijn door het vuur gesmolten.


De brand van de Sint-Salvatorskathedraal, die plaatsvond op 19 juli 1839 en op doek vereeuwigd door Antoine Laurent Joostens (1820-1886).
De brand van de Sint-Salvatorskathedraal op doek vastgelegd
door Antoine Laurent Joostens (1820-1886). Het heeft een perfect
beeld weer van de brand van 19 juli 1839 met de beperkte
middelen die er destijds waren en hoe Charles de Wulf de bevelen
op drie verschillende plaatsen doorgaf.
 Het schilderij is terug te bezichtigen in de Sint-Salvatorskathedraal
Binnenin was de kerk ongeschonden gebleven en men hoopte dat de gewelven stand zouden houden, maar schilderijen, koperwerk, meubilair, priestergewaden enz. waren verloren gegaan. In de toren hing ‘De doop van Christus’ door Jakob van Oost (1603-1671), met daarbij tientallen voorlopig gestapelde grafstenen uit de kooromgang en de koorkapellen. Die gingen allemaal verloren.

De uitgebrande bekappingen werden vlug hersteld zodat het kapittel al op 19 januari 1840 weer zijn diensten in het koor kon houden. De herstelling was eind juni 1840 afgerond. De nieuwe neoromaanse torenspits werd pas in 1871 voltooid. Doordat men te maken had met een verschrikkelijke brand besliste de toenmalige regering (gemeentebestuur of provinciebestuur) de hulp in te roepen van andere ‛speytemannen’ uit naburige steden.
Medaille verleend aan de Gentse brandweerluitenant August Claeys n.a.v. de brand der Brugse St.-Salvatorskathedraal van 19 juli 1839
Medaille verleend aan de toenmalige
Gentse brandweerluitenant August Claeys
n.a.v. de Brugse brand van de
Sint-Salvatorskathedraal 19 juli 1839
Bron: Koninklijk Museum v/h Leger

Manschappen werden in Gent opgevorderd. Een eenheid van 32 man kwam onder het commando van een kapitein en een luitenant* helpen met vier brandspuiten, Uit Oostende kwam 22 man met ‘den yzeren weg’; ook zij brachten vier brandspuiten mee.

Medaille verleend aan de Gentse brandweerluitenant August Claeys n.a.v. de brand der Brugse St.-Salvatorskathedraal van 19 juli 1839
Ondertussen had men de brand grotendeels onder controle en bewezen deze bijkomende krachten hun nut. De schade kon uiteindelijk worden beperkt. Getuigen verklaarden nog dat brandspeyte tien als eerste was aangekomen. (De ploeg die als eerste bij de brandhaard aankwam, kreeg een extra vergoeding van het stadsbestuur).

*Over de Gentse luitenant werd mij op 16 oktober 2015 volgende informatie bezorgd door dhr. adjudant Guy Deploige van het Koninklijk Museum v/h Leger:"...een medaille werd aan Gentse brandweerluitenant August Claeys verleend n.a.v. zijn inzet  en moedig optreden..."

Opmerkelijk is, dat de schilder zijn zwager (Charles de Wulf) tot driemaal toe in beeld brengt: in het midden, waar hij instructies geeft; in het midden van de linkerhelft loopt hij rond en deelt bevelen uit. Ten slotte staat hij boven in het koor om dat gedeelte te vrijwaren, wat hem uiteindelijk lukte. Ook ziet men in de rechterbenedenhoek een patrouille van de stadswacht, waarover hij het bevel voerde.


De eerste gouverneur van België, Félix Amandus de Mûelenaere (1793-1862).
Félix Amandus de Mûelenaere
1793-1862
Provinciaal Hof Brugge
De brandweerlieden hanteren een handpomp, terwijl vrijwilligers emmers water aandragen en anderen de kunstschatten wegbrengen. Op de rechterzijde houden soldaten de menigte op afstand en in het midden licht Charles de Wulf aan de notabelen en de toenmalige gouverneur graaf Félix Amandus de Mûelenaere (1793-1862) zijn plan toe om de kerk van een zekere ondergang te redden. Hij organiseerde de hulpdiensten in opdracht van het kerkbestuur van de kathedraal en stond in voor de werkzaamheden.

Menselijk leed

Brugge betreurde een burger, Jan-Baptiste Francois, die in de Zilverstraat van een dak op zijn hoofd viel en op slag dood was. Nog iemand werd dodelijk gekwetst en een ander licht gewond. Verder werd besloten om een verslag op te maken, waarin de naam moest staan van iedereen die zich had ingezet voor ‛het blusschen des vuers’en wie zich in levensgevaar had bevonden.

Dat waren: de Wulf-Anthierens, loodgietersbaas; Van Keersbilck, timmerman,, de drie broers Jacobus: de metselaars Josephus en Franciscus D’Helft; de timmerman Denys; de metselaar Kaestecker; de mecaniecien en ijzergieter Francois Ongena; de schipper Dely enz. Verder kregen de biervoerders enige lof toegemeten voor de grote prestaties die zij leverden water aan te voeren.

De eerwaarde heer Carton, directeur van het gesticht der doofstommen en blinden, die in het bijzonder gezorgd heeft voor het bergen van de kostbare oude archieven van het gewezen kapittel van St.-Donaas, de voormalige Brugse kathedraal, kreeg ook een vermelding.

Op 20 juli 1839 kwam de Bestendige Deputatie in spoedzitting bijeen en besliste bestendig gedeputeerde Joseph Deneckere een onderzoek in te stellen naar de oorzaken van de brand. Voor de herstellingen en de wederopbouw mocht men geen halve maatregelen treffen. Die moesten volledig en definitief zijn. Een bedrag van 50.000 oude Belgische francs werd door het gouvernement uitgetrokken voor de herstelling van de kathedraal. .50.000 fr. is nu 10.037.750 fr. Of bijna € 250.000 waard.

Volgens een brief van 20 juni 1840 zouden verscheidene burgers op 21 juli 1840 door koning Leopold I (1790-1865) gedecoreerd worden voor hun daden van moed en zelfopoffering. Die decoratie werd toegekend naar aanleiding van de verwoestende brand van de ‛cathedrale kerk’ op 19 juli 1839 en andere daden van moed en zelfopoffering. Ook gewone burgers, militairen, rijkswachters en politiemensen kwamen hiervoor in aanmerking. Sommigen kregen een geldelijke beloning gaande van enkele franken tot 200 frank.(€ 993 in 2004).

Graveur en medaillemaker François De Hondt


Graveur en medaillemaker François De Hondt.
Uit de catalogue des Médailles du
Royaume de Belgique, V. Tourneur
HONDT, François DE ( Belg.) Goudsmid en Medaillist, geboren in Brugge op het einde van oktober 1786, alwaar hij gestorven is op 18 mei 1862. Hij werd eerst opgeleid bij een goudsmid genaamd van Praet, waarna hij bij een andere goudsmid in dienst ging, Des Mys, ook van Brugge. Bij het verlaten van deze laatstgenoemde begon de Hondt met zijn eigen zaak. Hij produceerde verschillende verzilverde artikelen, welke van buitengewone waarde zijn.

Zijn eerste medaille dateert van 1818. Hij zou er in totaal een vijftien vervaardigen. Zijn laatste stuk maakt hij op 72- jarige leeftijd in 1858. Dit wordt een exemplaar waarin hij zijn eigen beeltenis in verwerkt.

De architect en bouwondernemer

Niemand zal zich nog geërgerd voelen met deze verticale uitbreiding, waarmee men de vroegere minder hoge St.-Savatorstoren, vanaf 1844-1846 naar een ontwerp van de Engelsman Robert Denis Chantrell, hoog boven de daken van het herboren middeleeuwse Brugge meende te moeten laten uitsteken. Chantrell was tevens lid van het Brits Architecteninstituut in Londen.

De broer van Robert Chantrell (1793-1872), William Dowsing Chantrell (1801-1857), was een in Brugge wonende ondernemer, die een architectenopleiding genoten had en gespecialiseerd was in kerkbouw. Een beginneling was hij dus niet. Tot ieders verbazing herstelde hij in ijltempo die mastodont en uit dank werd hem op 5 of 7 juli 1840 een gouden medaille geschonken, een werkstuk van de edelsmid F. De Hondt, die ook dismeester was van de kathedraal. Die medaille werd op het stadhuis van Brugge overhandigd in aanwezigheid van talrijke vooraanstaanden, onder wie Minister van Staat en gouverneur Félix-Amand de Mûelenaere. Waarschijnlijk zal daarvan maar één exemplaar gemaakt zijn. Provinciaal architect Pieter Buyck (1805-1877) leidde de werkzaamheden.

Wie was de Brugse kunstschilder Antoine Laurent Joostens 1820-1886?


Kunstschilder Antoine Laurent Joostens (1820-1886), zwager van Charles de Wulf
Antoine Laurent Joostens
1820-1886
Beeldbank Brugge
Antoine Laurent Joostens was getrouwd met Coralie Anthierens. Hij was tevens de zwager van Charles de Wulf. Hij werd geboren in Brugge op 28 februari 1820 en stierf er op 23 februari 1886. Op twaalfjarige leeftijd werd hij in zijn geboortestad ingeschreven als leerling van de Academie voor Schone Kunsten. Zeven jaar later werd hij primus in de Academie en werd door zijn buren in de Wulfhagestraat gevierd op 23 juli 1839, de dag der prijsuitdeling. Hij werd leraar aan de Academie voor Schone Kunsten van Brugge.

Hij schilderde onder andere de brand van de St.-Savatorskathedraal in 1839 en had een voorliefde voor het schilderen van Brugse stadsgezichten. Dat schilderwerk was als het ware een jeugdwerk, aangezien Antoine Laurent Joostens pas 19 jaar was. Voor zijn moedige gedrag schonk de buur aan Charles de Wulf een dankbare herinnering aan deze gebeurtenis, dit groot geschilderde tafereel.

Wie was Charles de Wulf–Anthierens, aannemer van openbare werken

Charles de Wulf werd in Brugge geboren op 12 juni 1802 en woonde in de Waalsestraat 68. Naar eigen zeggen vestigde hij zich als ‛aannemer van publieke werken’, ‛meester–loodgieter’ en had hij zijn atelier op het Simon Stevinplein 9-10. Op 30-jarige leeftijd trouwt hij met Clémence Françoise Anthierens (1808-1859). Zij kregen in totaal elf kinderen.

Charles oefende voorbeeldig zijn beroep uit en werd soms als ingenieur aangeschreven om zijn opzoekingen en verwezenlijkingen binnen het raam van zijn beroep. De geschiedenis vertelt echter niet of hij inderdaad aan het hoofd stond van de brandweer, maar hij nam er wel de leiding. Voor zijn moedige prestaties werd hij gedecoreerd met een gouden medaille. Verder had Charles grote belangstelling voor de natuur, de botanica en de landbouw en wist hij in 1836 een zilveren medaille in de wacht te slepen van de Sociéte d’Agriculture de Bruges.

Verder behaalde hij ook allerlei prijzen in de industrie en landbouw in Vlaanderen en Luxemburg. Tot ver in het buitenland was hij bekend, want hij was Vice–Président honoraire de l’Académie Nationale Agricole, Manufacturière et Commerciale de France.

Daaruit kan worden afgeleid dat Charles enorm moet aangetrokken geweest zijn door het leven buiten de stad, in de natuur met haar bossen en velden. In 1867 koopt hij in Vielsalm 438 ha 15 are. aan gemeentebossen die een geheel uitmaken van ongeveer tweeduizend hectare. Die bossen strekken zich uit over verschillende gemeenten en dragen de naam: Le Grand Bois. Op een open plaats in het bos wordt een cottage neergezet die de naam Luxibout draagt. De daaraan verbonden stallingen zijn op dezelfde wijze gebouwd als die van het kasteeldomein Nobelstede. De laan, die thans naar Luxibout leidt, heet heden nog Le chemin de Wulf.

Charles de Wulf overleed op 8 december 1896 en ligt begraven op het kerkhof van Assebroek vak 33 (Centrale Begraafplaats). In dat jaar werd ook Luxibout verkocht aan de Staat.

Andere onbekende ambities

Wat men niet wist, was dat Charles nog andere ambities had die gegroeid waren uit de woelige tijden waarin men leefde. Ooit was hij in zijn huis met een zwaard slaags geraakt met enkele achtergebleven Franse soldaten die plunderend rondzwierven. Hij werd medestichter van de Brugse Burgerwacht toen beter bekend als Corps Franc des Chasseurs – Eclaireurs de Bruges. Zelfs in Gent kwam zijn naam voor op kennisgevingen van de Garde Civique.


Sint-Salvatorskathedraalvan Brugge anno 2005
Sint-Salvatorskathedraal anno 2005



Boek met harde kaft: Brugge Brandt-Het brandt weer, mannen!Een deel van dit beschreven stuk, komt uit het boek:
Brugge Brandt – Het brandt weer, mannen!
Interesse in het boek (392 pag.)? Mail naar noel.de.mey@telenet.be

Linken naar andere Brugse brandweerthema's:

Met dank aan Dhr. adjudant Guy Deploige van het Koninklijk Museum van het Leger voor de bijkomende randinformatie aangaande de medaille (500701) verleend aan de toenmalige luitenant August Claeys van de brandweer van Gent n.a.v. de Brugse brand der Sint-Salvatorskathedraal van 19 juli 1839.

Noël De Mey
© Sabam 2006

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.

Stadhuis van Brugge, gedeeltelijk door brand verwoest in 1946

Laatste update: 04-01-2014

Historisch Stadhuis brandt gedeeltelijk af


Stadhuis van Brugge. Naar een oude litho-prentkaart.
Oude litho-prentkaart van het stadhuis van Brugge

Waar ooit het huis der gijzelaars (Ghiselhuis) stond, werd het stadhuis van Brugge in gotische stijl en van een zeldzame sierlijkheid op 30 oktober 1946 getroffen door brand. Lodewijk van Male (1330-1384) had in 1376 de eerste steen gelegd. Het Brugse stadhuis zou een inspiratiebron geweest zijn voor de bouwers van latere raadzalen. Door de eeuwen heen werd het stadhuis herhaaldelijk uitgebreid. De belangrijkste uitbreidingen dateren van 1523, 1544-1545, 1606-1604 en 1614.

De oude gevelbeelden waren destijds veelkleurig en werden tijdens de Franse Revolutie in 1792 vernield en opnieuw geplaatst, in 1855-’56, wanneer het stadhuis een heuse opknapbeurt onderging. De vernielde beelden werden vervangen.

Ongeveer honderd jaar later, meer bepaald van 1959 tot 1962, kreeg de gevel weer een restauratie te verwerken. Toch duurde het nog tot 1988 voordat nieuwe beelden op hun plaats stonden. Het stadhuis werd op 25 maart 1938 als monument beschermd.

Bluswerk onder commandant Alfons Geers:

Om 23.12 uur belden inwoners de brandweer op: een grote brand was uitgebroken in het stadhuis.

De eerste ploeg vertrok met twaalf man. Commandant Geers gaf meteen opdracht vrijwilligers op te roepen. De tweede hulpploeg werd om 23.15 uur uitgestuurd met een brandwagen, en om 23.18 uur kwam de ladderauto aan.

Bij aankomst was duidelijk dat het bevolkingsbureau helemaal in vlammen opging. Bij de verkenning constateerde men dat het vuur de verdiepingen en het kapwerk al had aangetast. De hele rechtervleugel stond in brand. Een drietal spuitlansen werd aanstonds in werking gesteld op de benedenverdieping en kon rechtstreeks in de vuurhaard spuiten. Dezelfde procedure ging in op de verdieping en in de wandelzaal.

Commandant Geers, die de structuur en de ligging van het kapwerk goed kende, wist dat het gevaar daar schuilde en vreesde dat de brand zou overslaan naar de andere vleugels van het gebouw. Met vereende krachten werd geprobeerd om ondanks de verstikkende rook brandslangen op de zolders boven de gemeenteraadzaal en de wandelzaal op te stellen. Met hun masker op slaagden de manschappen in hun opzet en konden hun positie handhaven. Zo konden zij de toestand meester blijven. Intussen werd de brand langs de buitenkant (voorgevel stadhuis, kant H. Bloedkapel en kant Blinde Ezelstraat) bestreden. Om kwart over twaalf was men de brand meester. Toen spoten toen 20 lansen van alle kanten met volle kracht op de vuurhaard in.

Zestig brandweerlui hebben de brand bestreden en hebben allen, zonder onderscheid, voortreffelijk hun plicht volbracht. Het is aan het doeltreffende optreden van de eerste ploeg te danken dat de aanpalende gebouwen gevrijwaard konden blijven. Toch liepen enkele manschappen lichte verwondingen of brandwonden op. Aan water was er geen gebrek, doordat men aan de rei drie pompen had opgesteld en 2.000 meter slangen had uitgerold.

Aan kunst gingen de staande schouw in de bevolkingsdienst en de oude eiken deur tussen de Gotische Zaal en bureau. 5 totaal verloren. De muren van het uitgebrande gebouw vielen te herstellen; alleen de topgevel van de achterzijde en het witte steen moesten worden hersteld. Het houtwerk dat voor het grootste gedeelte uit oude eik bestond, heeft goed weerstand geboden. Het grootste gedeelte kon elders worden gebruikt.

Op zeker ogenblik werd gevreesd voor een tekort aan manschappen en werd veiligheidshalve een beroep gedaan op de brandweer van de Koninklijke Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek, die om tien voor halfeen aankwam, maar op dat moment was men de vuurhaard meester en was die hulp niet meer nodig. Aan het stadsbestuur werd voorgesteld, een officiële dankbrief te zenden voor de onverwijlde bijstand.

Niet gevraagde mobiele hulpploegen uit Gentbrugge (om tien over halfeen) en een uit Brussel kwamen (om vijf over twee) kwamen met 8 wagens en 66 man hulp bieden. De slag was al gestreden en gewonnen en de bevelhebber van Brugge had ze niet ter versterking gevraagd. Deze laatste paragraaf stond niet in het verslag. De schade was aanzienlijk, maar herstelbaar. Dat gold echter niet voor de kunstwerken en bevolkingsdossiers.

Daarbij kwam nog, dat deze brand veel zwaardere gevolgen voor de stad kon hebben gehad, was het niet dat student-brandweerman F. Alexander het begin van deze brand opmerkte en onmiddellijk de brandweer alarmeerde. Hij voorkwam zo een veel ergere ramp. Daarvoor werd de aspirant-student-brandweerman door het stadsbestuur gehuldigd en kreeg in het bijzijn van de toenmalige bevelhebber Hugo Geers (1936-1977) en erebevelhebber Alfons Geers een ets cadeau. Tal van andere brandweermannen werden eveneens gehuldigd tijdens de traditionele korpsdag in december 1974.

Boek met harde kaft: Brugge Brandt-Het brandt weer, mannen!Dit beschreven stuk, komt uit het boek: Brugge Brandt – Het brandt weer, mannen! Interesse in het boek (392 pag.)? Mail naar noel.de.mey@telenet.be

Linken naar andere Brugse brandweerthema's:

Noël De Mey
© Sabam 2006

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.

zondag 11 januari 2009

Ruddervoordenaar Guilielmus Van Renterghem (1782-1888)

Laatste update: 04-01-2014

Guilielmus Van Renterghem

De gemeente Ruddervoorde vierde begin de jaren 1880 hun oudste inwoner, namelijk Guilielmus (Willem) Van Renterghem. Op 8 december 1883, vierde hij zijn 102e verjaardag in goede gezondheid en woonde toen nog steeds de zondagmissen bij. Wanneer het weer het toeliet, stapte hij de naburige herberg binnen, om er een partijtje te (klaver)jassen.

Wanneer in 1884, de verkiezingen gehouden werden, zakte hij af naar Brugge waar hij als deken fungeerde van de Belgische kiezers. Als voorname christelijke inwoner, zag hij dit als een plicht en stelde groot belang in de verkiezingen. Het was ook de laatste keer dat deze kloeke grijsaard naar Brugge zou afzakken. De dappere oude man deinsde er niet voor terug om zoals hij verwoorde:’… de fameuze franc maçons bazen (vrijmetselaars), van de Kleine Vismarkt, een keer goed de klop te geven’.

Hij weet dus over wat er moet worden gepraat, van over de beeldstormers en klokke D..... Voegt er verder nog aan toe, dat de moortelbazen met hun kop vooruit in hun moortelbak voorgoed erin zouden terechtkomen.

N.B.Verder werd er een brief van Van Renterghem naar de krant gezonden, waarin vermoedelijk de redenen stonden geschreven over het waarom er bijeen gekomen werd. Welke deze brief juist was kon niet achterhaald worden, maar het zou kunnen dat dit alles te maken had met het werk van de vrijmetselarij dat tegen het katholieke geloof was besloten. Niemand zou voorzeker beschuldigingen uitten aan diegenen die de waarheid spraken.

Wat zei de liberale nochtans rechtvaardige Prins de Ligne (1804-1880) voor de vuist vlak in het gezicht van Pieter Van Humbeeck en van zijn moortelbroeders? Wat Prins de Ligne in 1879 toen voorzei, was het vanaf toen oorlog. Zijn woorden waren en bleven een onuitwisbare schandvlek op de ontvoogding van de geuzen van de Vismarkt:

"Wee aan een geslacht zonder godsdienst opgevoed!...Uw wet is een partijwet, een ongelukswet; 't is een oorlogsverklaring!.. Gij wilt het land verdelen in Welfen (partijnaam in de middeleeuwse Italiaanse geschiedenis) en Ghibellijnen (de partij van de 'Hohenstaufen' die de keizer aanhing, in tegenstelling tot de Welfen, de partij van de paus)! Gij geeft aan de vaders en moeders geen waarborg voor de opvoeding van hun kinderen, geen waarborg voor het godsdienstig onderwijs"!

De ontvoogding van het volksonderwijs was de schandelijkste slavernij, het hatelijkste juk dat ooit door de Vrije Belgen gedragen werd. De ontvoogdingswet van 1879 was de grootste fout die een regering in België bedreven had; het was een wet van oorlog, een wet van tranen en van bloed (bloedwet)! Getuige Heule...!

Het was een wet die twist en tweedracht zaaide, haat en onenigheid kweekte binnen de families der gemeenten en steden. Het was een wet die het land uitputte en op de rand van het failliet had gebracht. Dit was het werk van de vrijmetselarij...! Die voor niets achteruit deinsde, als het er op aan kwam God en zijn Kerk te vervolgen en Zielen aan de kerk te roven.

Wat hadden de liberalen zoal gedurende de zes jaar lang bewerkstelligd?:

Zij hadden honderden katholieke bedienden afgezet;
Zij hadden de gezant van de Paus uit ons katholieke land weggejaagd. Het goddeloze Frankrijk deed dit zelfs niet;
Kerkhoven werden geschonden en Geuzen die noch van God, och van Kerk waren tijdens hun leven, werden naast de katholieken begraven;
Zij ontnamen aan de kanunniken en professoren van de seminaries hun tantièmes;
Zij verplichten aan de seminaristen om soldatendienst te vervullen;
Dreven boeteprocessies terug in de kerken en verboden nog om klokken te luiden;
Schaften Te Deums af en de Naam Gods werd verbannen uit de troonreden;
Namen 225 katholieke fondaties, verbraken duizenden testamenten, miljoenen missen werden afgeschaft, die door onze overleden ouders en vrienden waren gevraagd;
Deden her en der de duivel aan de kerkfabrieken;
Wilden de hand leggen op de H. Bloedkapel;
Zaten achter het seminarie aan;

Vervolgden paters en nonnen dat het een schande was;een geuzenkrant uit Brussel 'La Chronique', gebruikte letterlijk deze woorden: 'Het liberalismus van het grootste aantal onzer hooggeplaatste mannen, bestaat alleen in papen te vreten en plaatsjes te bezorgen aan hun zonen, vrienden en kennissen’.

Levensloop Willem Van Renterghem

Willem Van Renterghem zag het levenslicht te Brugge in de Ezelstraat, tijdens het Oostenrijks keizerlijk tijdvak, op 9 december 1782. Op17-jarige leeftijd vestigde de jonge Willem zich voorgoed te Ruddervoorde en trad er in 1813 in het huwelijk met Marie De Meulenaere die afkomstig was uit Oostkamp.

Tijdens zijn jonge jaren werd er niet alleen door hem weerstand geboden tegen de willekeurige dwingelandij, verordeningen en wetten van Keizer Josephus II, maar ook door onze vele voorvaderen. Menigmaal liepen zij te wapen en stonden zij samen op met Brugge en andere steden, om de Oostenrijkers het land uit te jagen.

Hij kon zich heel goed herinneren met welke angst en vrees zijn kinderhart werd bevangen, wanneer zijn ouders de woelige gebeurtenissen van Frankrijk verwoordden. Alle gruweldaden die tijdens het schrikbewind werden gepleegd de afgelopen 100 jaar, waren onder Van Renterghems ogen gepleegd. Hij herinnerde zich de vervolgingen door Napoleon uitgewerkt tegen de Paus, de priesters, de kloosterlingen en de H. Kerk. Als man van het geloof en godsdienst was Willem een ferme voorstander van de rechten van het Vlaamse volk. Zonder omzien schandvlekte hij al wie durfde tegen de priesters en kloosterlingen uitvaren.

Zijn vaderlandsliefde klopte zich hevig in zijn hart en hij wist met genoegen de gebeurtenissen, de verlossing van België in 1830 met geuren en kleuren te vertellen. Wanneer de eeuweling destijds in alle schoonheid als deken der oudste kiezers van Belgie, naar Brugge afzakte, was het om als goede vaderlander, deftige katholieke en als ware Vlaming ons land te helpen ontrukken, aan de heilloze strekkingen der hedendaagse geuzen, die hij als vijanden van het land, vervolgers van de kerk en verdrukkers van het Vlaamse volk aanzag.

Godvruchtig en godvrezend als hij was, bracht hij zijn vijf kinderen groot in ere en deugd. In zijn huisgezin heerste er altijd liefde, eendracht, godsdienstigheid en godsvruchtigheid. Maar ook voor deze man sloeg het noodlot toe en was hij niet bezegeld met het eeuwige leven. In de nacht van 2(4) oktober 1888, overleed Willem Van Renterghem op de gezegende ouderdom van 105 jaar en 10 maanden aan een beroerte.

Duizenden bezoekers kwamen er een laatste groet brengen aan de oudste landzaat van België, om hem eerbied en achting te betuigen. Met enige bewondering waren zij getuige geweest met welke godvruchtigheid Willem bezield was. Hij bad bijna onophoudelijke onverpoosd zijn rozenhoedje, tot in de laatste stonden van zijn aardse leven. Hij vond er veel troost en genoegen in de Koningin van de Hemel, die hij loofde en aanriep, die hem weldra zelf zou opnemen in het onsterfelijke rijk, om er de kroon op te zetten.

Men zag hoe troostelijk zijn overgebleven zoon en dochter (drie van zijn kinderen waren ondertussen al overleden) van de overbekende ouderling de vele dankbetuigingen in ontvangst mocht nemen. Door iedereen werd hij rechtzinnig bemind. Zijn verlangen om er nog enkele jaren erbij te mogen doen werd door de Almachtige anders beslist. God riep hem tot zich, om hem te vervoegen tot het eeuwigdurende verblijf en hem het loon te geven voor al het goede en deugden dat hij gedaan had, tijdens zijn langdurig verblijf op aarde.

Willem Van Renterghem in het bijzijn van vijf hoogbejaarde Bruggelingen in 1888: Foto: Photografie C. De Trez en Cie, Mariatraat, 14 Brugge.
Willem Van Renterghem kreeg in het jaar van zijn overlijden het bezoek van vijf hoogbejaarde
Bruggelingen. Foto: Photografie C. De Trez en Cie, Mariatraat, 14 Brugge.
Verzameling Noël De Mey

Bezoek

In het jaar van zijn overlijden ontving de toen hoogbejaarde Van Renterghem, het bezoek van eveneens vijf hoogbejaarde Bruggelingen en oude kennissen, voornamelijk: ‘ De 89-jarige Sorel, de 88-jarige D’Hondt, de 87-jarige Callewaert, de 86-jarige Ameye en de 83-jarige De Brauwere. Als men de optelsom maakte met de ouderdom van Van Renterghem erbij komt men aan een gezamenlijk jaartal van 539 jaar, dat als het ware een echt gezin van Patriarchen van het Oud Testament was!

Toen Guilielmus overleed, waren er in West-Vlaanderen destijds nog vier honderdjarigen in leven, te weten:

De gewezen dienstmeid van pastoor Rysman (Poperinge), Victoria Balan. Zij werd te Lendelede geboren op 26 september 1786 en vierde haar jubileum in het ouderlingentehuis van Kortrijk op 3 maart 1887.

Martha Delvique, die te Doornik werd geboren op 4 augustus 1785 en haar jubileum vierde in het ouderlingentehuis van Moeskroen op 4 augustus 1887.

Prudentia Ooghe, weduwe van Ivo De Volder, vrouw van Carolus De Cock, gekend als Karel Mahieu, werd te Woumen geboren op 17 november 1787.

Vervolgens Justina De Clercq (Zuster Bonaventura bij de Zusters van Liefde, te Gent), geboren te Menen op 23 augustus 1788, geprofetest op 25 juni 1812 en haar jubileum gevierd op 25 augustus 1888.


Guido Gezelle schreef ooit een gedicht ter ere van de honderdjarige gewezen schoenmaker Guilielmus Van Renterghem

Den achtbaren Willem Van Renterghem
Gewezen schoenmaker,
Geboren te Brugge den 9de november 1782
en vierende
Zijnen honderste verjaardag den….december 1882

Een honderdjarig man te zien, is het wonder
dat zeldens voorenvalt, ook onder
den zoelen hemel van ons vaderland;
toch is er hierof daar temets nog een te melden,
die, vromer als de vroomste helden,
spijts al dat tegenwilt, houdt steke en stand.

Zoo zijt gij een, Eerweerde, meer als man en vader,
en, treden wij vandage u nader,
het is met eene zoo groote eerbiedigheid
alsof wij Abraham, alsof wij Noë mochten
bezoeken gaan, of hem bezochten
dien God heeft eerst het leven toegezeid!

Ha, ver van ons is al de kracht die hem vervroomde,
dien eersten mensch, die Adam noemde;
ha, ver van ons, zijn deerlijk nageslacht!
En blijde is iedereen die mag in U bemerken
de almachtigheid van Hem, den Sterken,
die Bronne en Gever van alle kracht!

Gedankt zij God, die ons, in uwe honderd jaren,
Eerweerde, wilde een voorbeeld sparen,
hoe dat het waar gegaan, had zijn gebod,
g’eerbiedigd en bewaard, aan allen kracht gegeven
om langer nog als Gij te leven
en zonder sterven weer te gaan bij God!

Gelukkig kwam daar Een, Hij, God en Mensch te gader,
het neergevallen menschdom nader,
die Adams schuld, op He, aan ‘tKruis verhief;
die, stervend, daar hij lag op ’t harte kruishoutbedde
ons altemaal de vrijheid redde,
en scheurde in twee’n den ouden schuldenbrief.

Door Hem is ‘t, Weerde Man, aan U en ons gegeven,
’t zij honderd jaar ’t zij een, te leven
dat leven dat voor eeuwig duren moet;
en komen wij of Gij, getrouw aan Hem, te sterven,
geen sterven is ’t maar ’t leven erven,
dat, jong en oud, in Hem, de christen doet!

Leef voort, ’n sterf nog niet, Eerweerde, en moet Gij lijden,
of mengt Gij U, met ons, verblijden,
gelijk op dezen dag, nog menig jaar,
in Hem zij onze vriend, zij ons verdriet geborgen,
die ons alleen kan troost bezorgen
in ’t land daar wij naartoe gaan al te gaâr!


Bronnen:
Gazette van Brugge: maandag 7 januari 1884, donderdag 5 en zaterdag 7 juni 1884, woensdag 24, zaterdag 27 en maandag 29 oktober 1888. Rond den Heerd: 15 november 1888 en 24 december 1882
Noël De Mey
© SABAM 2008

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.

Anselmus Boëtius de Boodt 1552-1632

Laatste update: 28-10-2013
Een beroemde Brugse delfstofdeskundige



Delfstofkundige Anselmus Boëtus de Boodt 1552-1632
Anselmus Boëtus de Boodt
1552-1632
Op 20 november 1932, werd te Brugge ooit plechtig de 300ste verjaardag herdacht van het overlijden van Vlaanderen’s grootste delfstofkundige Anselmus Boëtius de Boodt.

Anselmus, die in 1552 ter wereld kwam, was een Brugs edelman en raadsheer in zijn geboortestad, maar vertrok bij het uitbreken van de godsdienstoorlogen naar het buitenland. Niemand zal er ooit aan gedacht hebben dat ze ook op gebied der Mineralogie eens als de eerste en de flinkste behoorden.

Te Heidelberg studeerde hij geneeskunde, om dan via Bazel, Italië te bereiken. Het was in de universiteit van Padua dat de Boodt de doctortitel verleend werd.

De stad Brugge zond hem als zaakgelastigde naar het Keizerlijk Hof te Praag, waar hij zeer snel de aandacht kreeg van Keizer Rudolf II (1552-1612). De Keizer benoemde Anselmus tot zijn lijfarts.

Op deze manier vertrouwde de Vorst, zijn verzameling edelstenen aan hem toe. Dit leidde op zijn beurt in 1609 naar het standaardwerk van de Boodt, ‘Gemmarum et Lapidum Historia. Het was zijn eerste groot geschreven werk over mineralogie. Ruim meer dan een eeuw stond voornoemd werk ver boven andere en latere verschenen soortgelijke werken uit. Professor F.M. Jeager, beschreef uitvoerig in het chemische weekblad van 25 mei 1918, de verdiensten van Anselmus.

Op 21 september 1932, ter gelegenheid van het congres der ‘Deutsche Mineralogische Geselschaft’, hield J.E. Hiller een redevoering, waarin de buitengewone geestesgaven van de Boodt hoog werden genoemd. De Brugse geleerde wist zich ook als kunstenaar herhaaldelijk te onderscheiden. Vervolgens schreef hij verzen en muziek. Greep naar het penseel, om planten en dieren in hun natuurlijke omgeving, zo goed als mogelijk en vrij naar leven, weer te geven.

Pas na de dood van Keizer Rudolf II, keerde de Boodt naar Brugge terug. Van 1612 tot in het jaar van zijn overlijden, 1962 leefde hij verder rustig in zijn geboortestad, waar hij zeer hoog in aanzien stond. Het register van de St.-Walburgaparochie vermeldt als datum van zijn afsterven, de 22 juni 1632. Begraven werd hij, in de O.L.Vrouwe kerk. Dit in de kapel van zijn familie. Het jammere was, dat deze kapel in 1786, herschapen werd in een kerkportaal. Ook het grafschrift en het schilderij van Jakob van Oost, waar het op vermeld stond zijn verdwenen. De tekst herkende men uit handschriften, waarop zijn sterftedatum ingevuld stond.

Het is ook dezelfde kerk, die een drieluik bevat van Anselmus de Boodt, door zichzelf geschonken. Hij was immers de vader van onze grootte geleerde. Dit drieluik waarvan sprake, bevat als middenstuk een werk van Geerard David (1460-1523), die de Transfiguratie voorstelt. De meesterlijke zijluiken dateren uit 1573 en zijn van Pourbus. Zij tonen de vader, Anselmus de Boodt voor en zijn echtgenote Johanna Voet, met hun zonen en dochters. Dus bezit men de beeltenis van de Boodt’s zijn ouders en van zichzelf, dat een merkwaardig jeugdportret is.

Ook kan men het huis in Brugge terugvinden van de grootmeester. Het werd ooit door het stadsbestuur hersteld. Het huis had zijn inplanting in de Ridderstraat nr. 15. Het was gemakkelijk te herkennen, want het was het enige huis dat destijds niet gemoderniseerd was.

Men vindt her en der in Brugge, grafschriften der familie de Boodt, tot zelfs in de hoofdkerk te Antwerpen, waar een grafkelder bevindt, dat aan het edele geslacht toebehoort. De laatste mannelijke telg van de Boodt, stierf in de 18e eeuw en werd begraven in de kerk ter Potterie.

Bron:
Dr. Antoon de Saedeleer, Assebroek
Noël De Mey
© SABAM 2008

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.

zaterdag 10 januari 2009

Brugse Combattant Boudewijn Craeye van 1830

Laatste update: 12-12-2013

Wie was deze kranige voormalige Brugse oud-strijder van 1830?



Geboorteakte Boudewijn Craeye 25-02-1810. Stadsarchief van Brugge
Geboorteakte Boudewijn Craeye
Stadsarchief van Brugge
Boudouin Craeye werd op 25 februari 1810 te Brugge geboren  in de Hauwerstraat (rue de la Hache) nr. 33. Hij was de zoon van het echtpaar Joseph Craeye, een hovenier die omstreeks 1771 werd geboren en van Anne Marie de Clerck. Zij werd te Oostende geboren omstreeks 1780.

In de telling van 1830-1846, was het gezin Craeye-de Clerck, woonachtig in de Balstraat A7/41 7°. Dit gezin bestaat uit Anna (°1805), Boudouin (°1810), zie zijn geboorteakte, Bernard (°1812), Fransiscus (°1815), Paulina (°1816) en Joannes (°1823). Er was toen ook sprake en melding van een onwettig kind van vrouw Anna de Clerck, vermeld François (°1830).

Op 23 oktober 1839 huwt schoenmaker, Boudouin Craeye met Theresia Coleta Lybaert. Zij werd te Brugge geboren op 1 juni 1818 en was de dochter van werkman, Petrus Lybaert en Coleta Maes. Bronnen melden dat haar vader te Tielt op 8 december 1833, overleed.


Huwelijksakte Boudewijn Craeye, 23 oktober 1839. Stadsarchief van Brugge.
Huwelijksakte
Boudewijn Craeye.
Stadsarchief Brugge

Het gezin Boudouin en Theresia verhuizen naar de Balstraat A7/41 5° (schoenmakersrente, waar dat nu het museum van Volkskunde gelegen ligt). De verhuis vond plaats op 12 augustus 1840. De uitbreiding van het gezin laat niet lang op zich wachten, want nauwelijks een week later wordt hun eerste kindje geboren en zou verder uitbreiden met volgende kinderen: Philomena geboren op 11 september 1840, Charlotte werd in 1842 geboren, Leocadia in 1845, Elisabeth in 1850, Anette in 1856, Marie in 1858, Gabrielle in 1866 en tenslotte werd hun enige zoon Leon in 1868 geboren.

Van de dochters werden volgende gegevens teruggevonden:
Elisabeth huwde met Emile Vandermeersch (Ieper °1851) op 31 juli 1872;Gabrielle huwde met Arthur Ardenois. Hij overleed in 1890. Zij op 15 augustus 1939. Marie huwde met Désiré Van Iseghem op 10 augustus 1881.

Boudewijn zijn rol tijdens en na de Belgische omwenteling in 1830



Belgische patriotten worden onder vuur genomen door de Hollanders op de Brugse Markt tijdens de woelige septemberdagen van 1830.
Sfeerbeeld tijdens de woelige
septemberdagen van 1830 op de Brugse
Markt. De Hollanders open het vuur
tegen de Belgische patriotten.
Verzameling Noël De Mey
Boudouin Craeye leverde in 1830, strijd op 20-jarige leeftijd tegen de Hollanders met nog tal van andere Brugse stadsgenoten van weleer, tijdens deze woelige septemberdagen.


Vijf combattants van 1830 woonden de plechtigheden bij n.a.v. de 75ste verjaardag van de Belgische onafhankelijkheid op de Brugse Markt in 1905.
Vijf combattants van 1830 tijdens het
patriotisch feest, dat op 31 juli 1905
op de Brugse Markt plaatsvond.
Verzameling Noël De Mey
Na deze omstreden periode bleef Boudouin in Brugge wonen. De volkstelling van 1866-1880, duidde aan dat gezin in de Peperstraat A11/66 (nu nr. 122) woonde. Vervolgens ging het vanaf 1900-1910 naar de Violierstraat B/50. 

Drie jaar eerder, in 1905 n.a.v. de viering van 75 jaar België, werd hij met andere oud-strijders op de Brugse Markt gehuldigd, met de medaille van het Herinneringskruis. In 1908, op 97-jarige leeftijd, overleed Boudewijn Craeye als laatste Brugse oud-strijder van 1830, op 26 januari 1908.


Aanvullende gegevens over Boudewijn Craeye (1810-1908)

Dit leverde nog volgende informatie op, tijdens een nazicht in het stadsarchief van Brugge. De telling van 1900-1910, vermeld dat Boudewijn Craeye in de klapper genoteerd staat als woonachtig in de Violierstraat (nr. onleesbaar). Vervolgens verwijst men naar het bevolkingsboek van de telling 1900-1910, nr. 19, blz. 84, waar dat hij ingeschreven staat in de Violierstraat 50. Later werd dit nr. 48. 

Boudewijn zou later, nadat hij weduwnaar geworden was, bij zijn dochter Gabrielle en schoonzoon Arthur Ardenois inwonen. Hier werd melding gemaakt dat hij geboren zou zijn op 19 maart 1810 te St.-Andries, maar dit wordt door zijn geboorteakte tegengesproken. Daarin staat héél duidelijk vermeldt, dat hij op 25 februari 1810 werd geboren (aktnr. 193 van 1810).

Begrafenisplechtigheid met nationale eer



Boudewijn Craeye in zijn oorpsronkelijk patriotisch plunje en begrafenisplechtigheid in de Magdalenakerk van Brugge.
Boudewijn Craeye in zijn
oorspronkelijk plunje.
Magazine "Het Ideaal" Utrecht
Verzameling Jaak Rau
De begrafenisplechtigheid vond plaats op 31 januari 1908, onder algemene grote belangstelling. De Stad Brugge droeg dé alle daaraan verbonden kosten, als waardering voor hun stadsgenoot.
Reeds vroeg in de morgen stond het volksrijke kwartier uit de Violierstraat, waar de overledene woonde, de menigte samen. Een der eerste prominente burger die aankwam, was baron Ruzette, gouwheer der provincie, naar het sterfhuis, om zijn medeleven aan de familie over te maken. Samen met hen ontving hij de overheden en vrienden van de afgestorvene en nabestaanden.

In de rouwkapel van het sterfhuis, dat volledig getooid was in het zwart, stond de lijkbaar, waarop het uniform met de eretekens van de oud-strijder lagen. Voor de kist stond het vaandel van de maatschappij der kinderen van de oud-strijders, terwijl twee leden de wacht hielden. Ongeveer driekwartier gingen de overheden, vrienden, gewezen wapenbroeders en buren voorbij de lijkbaar, om een laatste groet te brengen.

Onder de vele aanwezigen bemerkte men: generaal Van Vinckenroy en zijn stafofficier; korpsoverste, kapiteinbevelhebber Chomé; intendant Marissal; de schepenen en gemeenteraadsleden, van Caloen, Goethals en De Wulf; de voorzitter van de Koophandelsrechtbank Serweytens; de bevelhebber van de jagers te voet, Willems met daarbij nog een afvaardiging; de bestuurder van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Verschaeve; arrondissementscommissaris, Coppieters; bijna alle officieren van het 4e linieregiment; de stadssecretaris, De Randt; de stadsontvanger, Dugardyn; de bestuurder der borstelfabriek van Delhaize, Pouillion; de voorzitter van Brugge Voorwaarts, majoor Soleil…


Om 10u00, kwam de geestelijkheid van de H. Magdalenakerk de overledene afhalen. Buiten werd er halt gehouden, daar de vertegenwoordiger van het Ministerie van Binnenlandse zaken, dhr. Verschaeve, in naam van de regering een redevoering uitsprak, om hulde te brengen aan de overleden oud-strijder. Na hem sprak dhr. J. Holstert, de secretaris der Maatschappij van de kinderen der oud-strijders, om de stad Brugge te prijzen, die door deze plechtige begrafenis, het bewijs leverde, dat het de gedane diensten wist te waarderen, die de bevrijders van het Vaderland bewezen hadden.

Overlijdensakte van Boudewijn Craeye van 26-01-1908. Stadsarchief van Brugge.
Overlijdensakte Boudewijn Craeye
Stadsarchief Brugge

Daarop werd de stoet gevormd en in beweging getrokken, die sereen zijn weg vond onder tromgeroffel die oud-soldaten ten beste gaven, met daarbij hun vaandels. De vlag van de stad Brugge werd vóór de lijkkist gedragen.

De hoeken van het baarkleed werd gedragen door dhr. Verschaeve, gouverneur Ruzette, volksvertegenwoordiger dhr. Standaert en schepen van Caloen. Achter de kist stapte generaal Van Vinckenroy met zijn stafofficier, gevolgd door de familieleden van de afgestorven oud-strijder met een massa aan volk.

In de H. Magdalenakerk van Brugge, was de lijkdienst indrukwekkend en duurde de offerande bijzonder lang. Pas om 11u30 werd de godsdienstige plechtigheid beëindigd. Een stoet werd terug gevormd en na de inzegening van het stoffelijke overblijfsel van de oud-strijder, werd het op de lijkwagen van 1ste klas geplaatst en door de talrijke overheden, familie en vrienden, naar zijn laatste rustplaats gebracht.


Postkaartfoto uit 1905, waarop negen oud-strijders staan van 1830.
Een andere Brugse wapenbroeder, Eugène Dominique Hespeel, die te Brugge, op
12 mei 1814 werd geboren, overleed niet in zijn geboortestad, maar te Antwerpen
op 14 juli 1908. Deze voormalige oud-strijder overleed, vier maanden later, na
Boudewijn Craeye. Rechtstaand en zittend links nog twee uit Brugge afkomstige
oud-strijders uit 1830, waaronder de in rand vermeldde Hespeel.


Linken:

Bronnen:Stadsarchief van Brugge (SAB): bevolking en burgerlijke stand
L’Illustration Belge, 13-08-1905
Gazette van Brugge, 01-02-1908
Magazine, ‘Het Ideaal’, uit Utrecht, 22-02-1908
Koninklijk Legermuseum van België
Verzameling Jaak Rau
Verzameling Noël De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
©SABAM 2008